Ergens ging het mis tussen Elzbieta, de hoofdpersoon in Marie Kessels’ roman Levenshonger en CHRISTIANE GRONENBERG. Was het omdat Elzbieta een tatoeage had? Of omdat ze zich tewerk liet stellen in een vleesfabriek? Maar de fascinatie voor het boek blijft overeind. ‘Er zit uitzonderlijk veel zuurstof in haar zinnen.’

Door de ogen van en – belangrijk in dit boek – met de woordenschat van Elzbieta openbaart zich in Levenshonger, de elfde roman van Marie Kessels, de levenswereld van een 23-jarige immigrante. In haar thuisland Polen heeft ze haar studie eraan gegeven om in Nederland in de vleesfabriek PerfektKost aan de slag te gaan. Ogenschijnlijk om geld te verdienen, een echte drijfveer voor deze stap kom ik als lezer niet op het spoor. 

Op het eerste gezicht leent Elzbieta’s levenswandel zich niet als stof voor een boek, ze is held noch antiheld, ook al beweert de flaptekst iets anders. Zij dobbert, ondergaat, luistert, kijkt op de klok in de bedrijfskantine naar het verstrijken van de tijd. Daar, in de kantine, blijft ze na het einde van de pauze zó lang roerloos zitten dat de baas haar komt halen en ontslaat. De passiviteit waarin Elzbieta gevangen zit, en ik als lezer mét haar, wordt met de bladzijde ondraaglijker. 

De tien hoofdstukken van het boek omvatten één dag uit het leven van deze Elzbieta. Van een plot is nauwelijks sprake, Kessels heeft Elzbieta’s gedachten en de verhalen van de mensen die zij ontmoet als een dikke laag watten om de tijdlijn gedrapeerd. Zoals dat over haar pientere collega Ewa met wie ze in de vleesfabriek de filets bewerkt. Of het verhaal van de voormalige glazenier Julien die over de sluiting van zijn bedrijf vertelt, maar evengoed over zijn zingende tandarts. En dan is daar nog huisgenote Bo die een rat als huisdier houdt en warrige protocollen schrijft over de misstanden bij PerfektKost. Door Elzbieta’s ogen zien we hoe de mooie buurjongen Danny zich laat vollopen met wodka, en bespieden we haar kostganger Jozef wanneer die zich ’s avonds in zijn kamer opmaakt met oogschaduw, mascara en lippenstift. 

‘En dan verschijnt er op een ochtend plotseling een allervriendelijkste meneer in je werkplaats: de deurwaarder.’

Kessels’ personages bevinden zich aan de onderkant van de samenleving – zou in een literaire encyclopedie over Levenshonger kunnen staan. En ze worstelen met de verwachtingen die hun omgeving aan hun stelt. ‘Wil je horen wat ik allemaal wel niet aan klan-ten-bin-ding heb gedaan om mijn bedrijf gezond te houden?’, vraagt Julien, die nu nog een garage huurt, aan Elzbieta. ‘Als je zo één bent met je vak, komt dat klan-ten-bin-den vanzelf want je hebt onschendbaarheid. En dan verschijnt er op een ochtend plotseling een allervriendelijkste meneer in je werkplaats: de deurwaarder.’

Dat Levenshonger vol maatschappijkritische noten staat, komt niet door de beschreven problematiek van een sociaal zwakke klasse, maar door Elzbieta – hierover zo meteen meer. De verhalen van de personages die ze opvoert, zijn soms ronduit banaal, ze maken me als lezer ongeduldig, alsof ik het ben die in de plaats van Elzbieta vastzit in een te langdradig gesprek. 

De verleiding is groot om ons voor te stellen dat de schrijfster voor die langdradige gesprekken uit haar eigen ervaring heeft geput, dat ze een tijdlang in een vleesfabriek heeft gewerkt. Of we het ooit zullen weten? De publiciteitsschuwe Marie Kessels geeft geen interviews; op aandringen  van haar uitgever was ze in 2018 even beschikbaar voor een ontmoeting met een smaldeel van de literaire pers. Een tijdlang werkte ze in een stationskiosk in Den Bosch. Ook hoofdpersoon Veer in De god met de gouden ballen (1995) werkte in zo’n kiosk, een plek waar je in mijn fantasie minstens één keer per dag vast komt te zitten in een eenzijdig onderhouden conversatie met een klant.

De hoofdpersonen in Kessels’ romans, vaak vrouwen, staan voor de uitdaging om hun leven opnieuw vorm te geven. In de roman Lichtatelier gebeurt dat op een heel beeldende manier. Hoofdpersonage Ilse probeert hier een gestorven geliefde te laten herleven door papier te scheppen van brandnetels die ze plukt op plekken waar ze ooit hun liefdesnest hadden. 

Het beeld dat ze schetst van Elzbieta’s nieuwe bestaan in Levenshonger is minder romantisch, het toont ons de te langzaam verstrijkende tijd in de vleesfabriek en laat ons de opgezwollen handen en de zere schouders van het zware werk voelen. Het is hier waar de rijke taal van Kessels tot haar recht komt, het is alsof er uitzonderlijk veel zuurstof in haar zinnen zit. Geen regel lijkt op de andere, elke zin heeft recht op een eigen lengte, sprekende naamwoorden en kleurende adjectieven. Zelfs ongewone combinaties staan er als vanzelfsprekend; haar taal wordt nergens pathetisch, nooit lyrisch. 

Marie Kessels  foto Cocky van Bokhoven

Dat zuurstofrijke idioom is haar gereedschap om het universum van een eenvoudige mensenziel te onderzoeken. Hoe leeft iemand, hoe verandert iets in dat bestaan en hoe blijft het soms ook hetzelfde? Die benadering leverde haar de typering ‘avonturier op de vierkante centimeter’ op. Voor haar eindexamen van de kunstacademie in Den Bosch, in de jaren zeventig, tekende Kessels de afbladderende deur van een schuur. Niet één keer, maar een heel jaar lang, elke dag opnieuw. Na haar studie ging ze daar mee verder, die deur had tenslotte ook een achterkant.

Met het beeldend vocabulaire dat zij heeft ontwikkeld gaat ze welwillend om. Nergens gebruikt ze het tégen haar personages, nergens klinkt een oordeel door. In Levenshonger stelt ze haar taal extreem ruimhartig ter beschikking. Zo gebeurt het dat Julien, die in het Engels met Elzbieta spreekt, een met gezegdes en uitdrukkingen doorspekt verhaal afsteekt. 

Of heeft Elzbieta hier misschien al dingen vertaald voor de lezer, net als haar oom die voor een groot bedrijf vertalingen aan de lopende band produceert? Na een bezoek aan zijn werk constateert ze: ‘Eigenlijk is dit steeds maar vertalen en terugvertalen niet minder zwaar en vuil werk dan vlees kneden bij PerfektKost. En nooit houd je iets “schoon” tijdens het hele vertaalproces, overal zit smurrie aan.’

De mentale ‘smurrie’ van het werk in de vleesfabriek blijft ook na haar ontslag aan Elzbieta plakken. ‘Een deel van me is vorig jaar achtergebleven bij PerfektKost en heeft daar nog elke dag dienst, begrijp je Lieven?’, zegt ze tegen de vader van haar huisgenote. Dat gebeurt in het laatste hoofdstuk, waar ik als lezer besef dat Elzbieta me veel van zichzelf heeft laten zien, maar één wezenlijk onderdeel van haar menszijn verborgen heeft gehouden: haar toekomst. 

Met geen woord rept ze over een morgen. Daarom ging het, ergens in dit boek, mis tussen haar en mij.

Op de flaptekst wordt Elzbieta beschreven als ‘een mens in de marge die weigert verzwolgen te worden’. Maar hoe staat het dan met haar levenshonger, is daar überhaupt nog sprake van? Ze lijkt mij zo onverschillig en afgestompt, en ondanks haar wakkere ogen zo ver van zichzelf verwijderd dat zij die honger niet voelt. Even vermoed ik dat er wel een basale levenslust in haar moet zijn, het lukt haar immers om iets te weígeren. Ze stopt met haar studie en in de vleesfabriek gaat ze op een dag niet terug aan het werk. Maar van welke kwaliteit is een weigering als die bestaat uit een niets-doen totdat uiteindelijk iemand anders voor jou beslist? Elzbieta’s levenslust is die van iemand die niet beter weet dan dat ze niet dood wil, net als de varkens die beginnen te gillen op het moment dat zij de vleesfabriek worden binnengereden. 

Kies, Elzbieta, denk ik dan, want zwoegen alleen is te weinig om het leven zin te geven. Je zegt het zelf: ‘Wat bewijst het eigenlijk hè, dat ik ’s nachts uitgeput in bed rol.’ Leven om te leven is niet genoeg, je moet een reden vinden om te willen leven. Marie Kessels heeft daar mooie woorden voor gevonden, welwillende woorden, ze legt ze in de mond van Elzbieta’s huisgenote die tegen  de mooie buurjongen zegt: ‘Je weet steeds minder goed wie je bent, als je urenlang rondfietst zonder dat je ergens naar op weg bent. Terwijl de problemen waarvoor je op de vlucht bent dezelfde blijven.’

Marie Kessels (Nederweert, 1954) studeerde aan de kunstacademie in Den Bosch en was daarna werkzaam als tekenares. In 1988 debuteerde zij in het tijdschrift Raster met de gedichtencyclus Zachte scharen. Na haar romandebuut Boa (1991) volgden nog tien andere romans, waaronder de veelgeprezen Veldheer Banner (2018). Ze kreeg de Multatuliprijs voor Ongemakkelijke portretten (1998) en de Anna Bijnsprijs voor haar proza. Marie Kessels woont en werkt in Den Bosch.