In de rubriek ‘Chez Nous’ schrijven Christiane Gronenberg en Wido Smeets om de beurt over de dingen van het leven.

Ik zit in de trein, lees een interview met Paolo Cognetti en kijk naar buiten. Wegen, huizen, bedrijven, weilanden, af en toe een bos. Geen plek waar de mens zijn hand niet op heeft gelegd. Tegelijkertijd: hoe verder weg de ongerepte natuur, hoe meer we ernaar verlangen. Das Glück ist dort wo man nicht ist.

Rond zijn dertigste zag Cognetti de film Into the Wild. Hij gooide zijn leven om en verhuisde naar een bergdorp waar succes of falen niet wordt gezien als logische uitkomst van talent, maar als speling van het lot. Hij ging werken als kok, trok er elke vrije dag in zijn eentje op uit en besloot nog uitsluitend over de bergen te schrijven – een besluit waar we hem dankbaar voor mogen zijn. 


advertentie

Cognetti gedijt in een omgeving waar geuren, beelden, geluiden en gevoelens samenvloeien met gedachten, en omgekeerd. Hij is niet de enige. ‘Ik schilder wat ik hoor, ik componeer wat ik zie’, zei de Litouwse schilder/componist M.K. Ciurlionis. Woud, zee en universum waren zijn inspiratiebronnen; het liefst was hij op een plek waar de drie elkaar ontmoeten.   

Vorige maand las ik Kamer in Oostende van Koen Peeters, een boek over twee mannen die al wandelend een vriendschap ontwikkelen; de derde hoofdpersoon is de zee. Nietzsche en Einstein kwamen al wandelend tot nieuwe inzichten. W.G. Sebald, Robert Walser, Olga Tokarczuk en Koos van Zomeren smeedden onvergetelijke zinnen (en boeken) toen ze met hun hoofd in de wind liepen. 

Wie wel eens buiten komt, weet hoe het gaat. Na een strandwandeling plof je neer in een duinpan, je hoort de zee, proeft het zout en laat je ogen wegglijden naar de horizon. Na een bergtocht: de zintuigen nog in de overdrive ga je met je rug tegen een boom zitten en voelt het verse bloed door de aderen trekken.  

De drang om het leven een andere slinger te geven komt dan akelig dichtbij. Voor even. Er staan dan wel geen wetten in de weg, praktische bezwaren zijn er genoeg. Gelukkig maar – waar zouden we blijven als iederéén het roer omgooit? 

Daarbij heeft moeder aarde even geen tijd voor al die romantiek – het gaat niet goed met haar. 

De natuur is uit balans, het is de mens die denkt dat ie God is – maar in zijn diepste wezen is ie een kolonist en een dief en een plunderaar. ‘Dat de natuur ons gedrag niet meer verteert’, zei  Green Deal-commissaris Frans Timmermans in Glasgow, ‘gaat ons bevattingsvermogen te boven.’ 

Over de natuur hoeven we ons trouwens geen zorgen te maken, die redt zich wel. Maar de mens? 

Toen zijn moeder op sterven lag, keerde pop art kunstenaar David Hockney vanuit de Amerikaanse westkust terug naar zijn geboortestreek Yorkshire. Na haar dood besloot hij te blijven, om te schilderen naar de natuur – wat sinds de opkomst van de fotografie als nogal oubollig wordt gezien. De tegendraadsheid past bij Hockney als zijn geruite broek. Toen de kunstpolitie in de jaren zeventig abstract en conceptueel voorschreef, bleef hij lekker figuratief schilderen.

Vlak voor de lockdown stak de inmiddels 83-jarige Hockney het Kanaal over. Hij kocht een cottage in Normandië en dook ook daar de natuur in. Niet met de schildersezel op zijn rug, zoals zijn 19de eeuwse confraters ooit deden, maar met de i-pad onder de arm. Daarmee maakt hij levensgrote digitale schilderijen over de kleurenpracht van de vier seizoenen. 

Geen mens te bekennen, in die ode aan de oerkracht van de natuur.

Toen in 2020 het ene na het andere evenement, ja, zelfs de Olympische Spelen werden afgeblazen wegens corona, zei Hockney: ‘But they can’t cancel spring, can they?’

WIDO SMEETS

David Hockney, No. 209, 17th April 2020 (i-padschilderij)