‘Het laat zich moeilijk navertellen wat je ervaart bij een Richard Serra.’
Het was de eerste zin, en de enige juiste, dunkt me, in de necrologie van de deze week overleden Richard Serra (1938-2024) in De Volkskrant.
Richard Serra maakte non-figuratieve kunst, veelal immense constructies van industrieel staal. Bij staal denk je aan hard en onbuigbaar. Serra gebruikte cortenstaal, het roestige oppervlak heeft een warme, aardse kleur. Vaak liet Serra het staal buigen, een tweede vorm van toenadering tot de menselijke maat.
Veel Serra-liefhebbers vinden zijn werk met gebogen staal het beste. Wie in het Guggenheim in Bilbao is geweest, of in Museum Voorlinden in Den Haag, kan zich daar iets bij voorstellen. Maar The Hours of the Day, twaalf stalen panelen in de binnentuin van het Bonnefanten in Maastricht, mag er ook zijn.
Serra hield van zen-tuinen, maar of de binnentuin van het museum een gelukkige plek is? Een weids polderlandschap zou een betere locatie zijn, al zouden activistische boeren daar anders over kunnen denken.
De toenmalige directeur van het Bonnefanten, Alexander van Grevenstein, kocht het werk in 1992, drie jaar voor de ingebruikneming van de nieuwbouw van het museum aan de Maas. Aanvankelijk stonden de twaalf platen in de Wiebengahal, toen nog onderdeel van het museum. In mijn herinnering lag er zilverzand op de betonnen vloer. Een goede vondst – als mijn herinnering klopt tenminste. Anders lijkt het me een compliment voor mijn geheugen.
Serra’s stalen sculpturen vielen niet altijd goed bij het publiek – wat vaak een goed teken is. Het deed hem niet veel. Zijn eigenzinnigheid bracht hem in de problemen, ze zou hem er ook wel doorheen slepen. Hij stond te boek als een ongenaakbare man.
Net als Alexander van Grevenstein, tikken mijn vingers er meteen achteraan. Hij was van 1986 tot 2011 directeur van het Bonnefanten. De basis van de collectie hedendaagse kunst werd toen gelegd. Voor de nieuwbouw haalde hij Aldo Rossi als architect binnen.
Bij de opening van de nieuwbouw in 1995 was er kritiek op zowel het Rossi’s gebouw als op Serra’s stalen platen – en op Sol LeWitts Long Pyramid, niet te vergeten, in de andere binnentuin. Je hoort er nog zelden iemand over, wellicht omdat het museum in een goede flow zit, met een sterke programmering.
Met het verstommen van de kritiek is ook de kop van jut uit beeld verdwenen. Hoe onterecht. Alexander van Grevenstein, 76 intussen, is een man van grote verdiensten; de erkenning daarvoor heeft hij nooit gekregen. Hij heeft het ernaar gemaakt, is een veelgehoorde verklaring. Van Grevenstein was van het type ni dieu ni maître. Hij knielde voor niets en niemand, behalve voor de kunstenaar. Verder kon iedereen de pot op.
Nu we ons op zoveel plekken omringd weten door pleasers, wordt het gemis aan de ongenaakbaren van toen alleen maar groter.