Hoe de vijftiende versie van de grote kunsttentoonstelling Documenta uitliep op een ramp, en wat dat betekent voor de hedendaagse kunst. HANNO RAUTERBERG zet de zaken op een rij. ‘Na deze Documenta is niet veel over van het idee dat kunst een plaats van interculturele toenadering zou kunnen zijn.’ 

Een aantal jaar geleden, toen veel kunstenaars nog hun best deden om schandalen te veroorzaken, zou de Documenta van dit jaar als een groot succes zijn beschouwd. Documenta 15 lukte wat nooit eerder is gelukt: bijna alle deelnemers waren verontwaardigd, de curatoren verbitterd, grote delen van het Duitse publiek ontzet, verbaasd, verontwaardigd. 

Vlak voor de sluiting, eind september, barstte het debat opnieuw los. Een onafhankelijk panel van deskundigen had geëist dat de filminstallatie Tokyo Reels Film Festival, die als antisemitisch kan worden geïnterpreteerd, onmiddellijk zou worden stopgezet. Waarop veel van de Documenta-kunstenaars in een opruiende brief spraken over censuur, racistische vernedering en neokoloniale onderwerping. Na deze Documenta is niet veel over van het idee dat kunst een plaats van interculturele toenadering zou kunnen zijn.

Dan Perjovischi, Generosity, Regeneration, Transparency, Independence, Sufficiency, Local Anchor and most of all Humor © Documenta. foto Nicolas Wegers

Terwijl dat toch was wat Ruangrupa, het Indonesische curatorenteam van Documenta 15, had gehoopt: een tentoonstelling van verzachting, zonder grote namen, zonder spektakel, maar met talloze zitzakken, bankenhoeken, cirkels van stoelen om iedereen met elkaar in gesprek te brengen. Waarom kwam er niets uit? Waarom is juist deze Documenta een gepolitiseerd slagveld geworden? Mijn gok: in essentie komt het door de kunst. Of beter gezegd: de vrijwel volledige afwezigheid ervan.

Vanaf het begin was Ruangrupa vastbesloten om geen werken in klassieke zin te tonen. Niets dat tegen een hoge prijs kan worden verkocht en zich overgeeft aan de Europese cultus van het genie. Omdat de curatoren slechts marginaal geïnteresseerd waren in kwesties van vorm en stijl, en omdat zij het idee van individuele artistieke expressie wantrouwen, hadden ze voornamelijk collectieven uitgenodigd die een sociale, ecologische of politieke agenda volgen. Het idee dat kunst vrij van doel moet zijn, richtingloos, ontdaan van alle rede, vindt Ruangrupa erg oudbakken, als een vlucht uit de wereld van de illusie.

Toch heeft de anti-kunst van deze Documenta – geen hiërarchieën, geen genres, geen grenzen! – een prijs. Eigenlijk zijn het er meer. Een ervan heet onverschilligheid.

LE 18, kunstenaarsworkshop in Marrakesch, Dhabaphoto, 2021 ©LE 18

Als kunst vooral de goede zaak moet dienen, maakt het in principe niet uit hoe ze is vormgegeven, het belangrijkste is dat ze effect heeft. Dit leidt tot een zekere slordigheid. En dat leidde er weer toe dat aan het begin van Documenta 15 niemand het nodig vond om de reuzenposter van het collectief Taring Padi nader te bekijken. Antisemitische motieven? Racistische stereotypen? Niemand wilde het opmerken; als je kunst vooral als strijdmiddel ziet, hoef je niet geïnteresseerd te zijn in semantische subtiliteiten.

De foto werd weggehaald, de hele tentoonstelling werd overschaduwd door een schandaal.

Het tweede, nog ernstigere nadeel van anti-kunst: het gebrek aan immuniteitsbescherming. Omdat veel collectieven op deze Documenta erop uit zijn kunst over te hevelen naar het leven, hebben ze weinig op met het oude concept van autonomie. Het idee dat er een speciale artistieke zone bestaat, komt hen snobistisch voor en elitair. Daarmee vervalt echter een doorslaggevend argument waarmee kunstenaars zich tot nu toe bij veel schandalen konden beschermen. Zij hoefden er maar op te wijzen dat de afbeelding niet mocht worden verward met het afgebeelde. Een foto van een appel is geen appel.

En dus hoeft zelfs het tekenen van een antisemitisch stereotype niet noodzakelijkerwijs antisemitisch te zijn.

Dat is de verdienste van autonome kunst: ze laat ons ontsnappen aan de directheid. Ze laat afstand toe, zelfs van beelden die we vrezen, haten en het liefst zouden ontvluchten. In de kunst worden ze getemd; als objecten van reflectie verliezen ze hun macht. Zo hadden de kunstenaars van Taring Padi kunnen zeggen: ‘Kijk eens hoe we twintig jaar geleden over de wereld dachten toen de reuzenposter werd gemaakt! Wat een racistische, wat een antisemitische clichés doken op toen we tegen de dictator in Indonesië vochten.’ Zij hadden de afbeelding kunnen verdedigen als een historisch document, als een uiting van hun artistieke vrijheid. In elk geval als een uitnodiging om na te denken.

Want hoe verspreiden zulke stereotypen zich? Hoe kwamen ze in Azië, en waarom had niemand ze zo lang opgemerkt? Zelfs de anti-Israëlische propagandafilms kunnen, met de juiste inkadering, op deze manier worden begrepen: als een manier om na te denken over de toenemende invloed van beelden, de mechanismen van indoctrinatie, de verantwoordelijkheid van de filmmakers.

Maar zo’n inkadering vereist een sterk kunstbegrip, en bovenal de vastberaden wil om tegen te spreken, het vereist de moed om zichzelf ter discussie te stellen. Helaas was daar op deze Documenta nauwelijks sprake van.

En dit brengt ons bij het derde nadeel van anti-kunst: het berust op harmonisatie. ‘Lumbung’, het centrale thema die het curatorenteam gebruikte, is kenmerkend voor deze behoefte aan nabijheid en overeenstemming. Het basisgebaar van deze Documenta is bevestiging; alles moet door iedereen gedeeld worden. Maar hoe kunnen Palestijnse propagandafilms onder deze auspiciën worden vertoond? Is de oproep tot medegevoel hier ook van toepassing?

Vermoedelijk is het grootste nadeel van dit soort anti-kunst dat haar hang naar harmonie paradoxaal genoeg leidt tot escalatie en polarisatie.

Documenta bevordert waarden als vrijgevigheid, onafhankelijkheid, soberheid – met als gevolg dat elke kritiek op de tentoonstelling niet wordt opgevat als een esthetisch oordeel. Het gaat altijd om de basis, om de juiste houding. En vermoedelijk is het grootste nadeel van dit soort anti-kunst dat haar hang naar harmonie paradoxaal genoeg leidt tot escalatie en polarisatie.

Een tentoonstelling die aan de kant van de rechtvaardigen wil staan, zet al degenen die haar bekritiseren automatisch in het andere kamp. Elk debat over de geschiktheid van bepaalde motieven of vormen komt onvermijdelijk terecht in de draaikolk van een goed-of-slecht conflict waaraan geen ontsnappen mogelijk is. Voor de speelsheid van de kunst, het voorlopige en het absurde is hier geen plaats. En zelfs de dialoog wordt gesmoord onder de morele last – want dáár is iedereen het wel over eens: praten was niet meer mogelijk.

Keleketla! Library, The Allure of Gold and Other Solidarity Stories (detail), 2018 © Berlin Biennale. foto Timo Ohler

Een andere reden voor de grote verbittering aan alle kanten is waarschijnlijk de de-individualisering die deze Documenta radicaler dan ooit toepast. Toen de kunstenaars nog als individuen optraden, was de kritiek – als die er was – meestal gericht op individuele werken. Nu echter zien veel collectieven hun kunst niet langer als een werk, maar als een manier van leven, gebaseerd op een gedeeld ethos of een gemeenschappelijke ervaring van bedreiging of discriminatie. Wie die kunst bekritiseert, bekritiseert ook de gemeenschap en haar waarden.

Daarbij wordt kritiek al te gemakkelijk als generaliserend opgevat; niet als een onderzoek naar de artistieke expressie van een individu, maar als een aanval op een groep en haar identiteit, bij twijfel zelfs als een discriminerende aanval, racistisch, anti-gehandicapt, wat dan ook. Omdat de kunst is gedesïndividualiseerd, voelt iedereen zich aangesproken, en in geval van twijfel beledigd. Objectief geschil? Onmogelijk.

Natuurlijk hebben de curatoren van Documenta 15 het niet zo bedoeld. Ze vochten tegen de macht van zelfingenomen verzamelaars en galeriehouders, tegen de fixatie op westerse sterren en miljoenenwerken, tegen de hypocrisie van een milieu dat zich kosmopolitisch waant maar zich in werkelijkheid vastklampt aan zijn eigen privileges. Veel van die benadering klopt, maar het idee dat sociale conflicten alleen in een collectief, in een warme gemeenschap, kunnen worden aangepakt en overwonnen, blijkt fataal. Deze Documenta heeft niet in de laatste plaats aangetoond dat waar het individu opgaat in het collectief, twijfelachtige ideeën van groepsidentiteit aan belang gaan winnen. Een identiteit die men zich voorstelt als dorps, als natuurlijk, gerelateerd aan de eigen grond, een oorspronkelijk grondgebied. Veel van Documenta’s projecten draaiden om dergelijke ideeën.

Men aanvaardt zelfs dat Roma-kunstenaars hun doeken vol penselen met pronkende borsten en ander seksisme, naar het motto: ze zijn gewoon zo, ze mogen dat doen

Hoe meer het creatieve individu naar de achtergrond verdwijnt, hoe sterker het verlangen naar andere categorieën van zelfbeschikking wordt. Het ligt voor de hand om te vallen voor een cultus van authenticiteit die men eigenlijk dacht te hebben overwonnen: hier een verdieping voor gehandicapte kunstenaars, daar een zaal voor Roma, zo pakt Documenta het aan. In naam van de rechtvaardigheid – eindelijk moeten ook deze mensen worden erkend – valt men terug op classificaties van de meerderheidssamenleving, men aanvaardt zelfs dat Roma-kunstenaars hun doeken vol penselen met pronkende borsten en ander seksisme, naar het motto: ze zijn gewoon zo, ze mogen dat doen.

Hier leidt de vermeende bevrijding van de conventies van een westers kunstbegrip tot neo-reactionair, neo-essentialistisch denken. En dit voedt op zijn beurt een verlangen naar uitsluiting en marginalisering. Een verlangen dat op deze Documenta uitgerekend op Israël en op andere tentoonstellingen van hedendaagse kunstenaars werd geprojecteerd.

Siwa Plateforme, Eine Reise nach Redeyef mit Siwa (2015) © Documenta. foto Fakhri El Ghazal

Degenen die de autonomie van de kunst, deze erfenis van idealisme, verwerpen, doen dat meestal uit angst voor isolement en zelfgenoegzaamheid. Een kunst die alleen haar eigen regels volgt, negeert het opleggen van de werkelijkheid, zo luidt het verwijt. Maar zelfs post-autonome activisten zijn geenszins immuun voor onwetendheid, zoals in Kassel is gebleken. In plaats van zich voorzichtig open te stellen voor kritiek, schreven ze harde verklaringen. In plaats van te luisteren naar Joodse ervaringen demoniseerden ze Israël. En verraadden daarmee de kern van de Documenta: de waarden van sympathie en begrip.

Wat overblijft is een discursief landschap in puin. En een kunst die zichzelf erin heeft verloren. 

© Die Zeit 38/2022 Vertaling: Christiane Gronenberg/Wido Smeets