In de rubriek ‘Chez Nous’ schrijven Christiane Gronenberg en Wido Smeets om de beurt over de dingen van het leven.

Hoog tijd voor een correctie. Een week of zes geleden ging het hier over de Verelendung in de journalistiek. Over free lancers die worden uitgebuit, zoals dat ook elders in ons neoliberale paradijs het geval is.

Waar het niet over ging: dat de journalistiek een gevaarlijk beroep is. Ook in Nederland. Op plekken waar de gemoederen hoog oplopen, zijn journalisten gedwongen min of meer anoniem te opereren – met dank aan ophitsers als Wilders en Baudet.

Toch is de situatie niet te vergelijken met buitenlanden waar autoritaire leiders het voor het zeggen hebben. Toen Dmitri Moeratov half oktober hoorde dat hij de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen, droeg hij die ter plekke op aan zes vermoorde collega’s bij zijn krant, de Novaja Gazeta, de laatste onafhankelijke krant van Rusland.

Vorige week was Moeratov in Stockholm om de prijs op te halen. Naast hem stond mede-winnares Maria Ressa, de onvoorstelbaar moedige pain in the ass van president Rodrigo Duterte van de Filipijnen. Volgens Ressa zijn onder diens bewind 63 advocaten en 22 journalisten vermoord.

De correctie: zes weken geleden liet ik Maria Ressa hier ongenoemd. Dat halen we nu in, ook omdat haar rede bij de uitreiking van de prijs amper de krant haalde. Misschien voelt het ongemakkelijk om naast de tamelijk a-journalistieke jubeltonen over het wereldkampioenschap autorijden een tekst te publiceren waar Ressa oproept om ‘onafhankelijke journalisten te helpen overleven door hen beter te beschermen en op te staan tegen staten die journalisten in het vizier nemen.’


advertentie

Het is extra vreemd omdat journalisten niet gauw een Nobelprijs krijgen. De laatste keer was in 1935, met Carl von Ossietzky. Het was ook het jaar dat Tazio Nuvolari in een legendarische inhaalrace de Duitse Grand Prix won. Tal van nazi-kopstukken zaten op de Nürburgring op de eerste rij.

De persbreidel in Duitsland was in volle gang. Von Ossietzky mocht van Hitler, toen twee jaar aan de macht, niet naar Stockholm reizen om de prijs op te halen. Drie jaar later stierf hij aan de gevolgen van mishandeling en jarenlange gevangenschap.

Persvrijheid is niet vanzelfsprekend. Al vóór de nazi’s aan de macht waren, zat Von Ossietzky regelmatig vast. Tegen Maria Ressa lopen zeven rechtszaken, ze kan er naar eigen zeggen meer dan honderd jaar gevangenisstraf voor krijgen. Pas drie dagen voor de Nobelprijsceremonie kreeg ze toestemming om naar Stockholm af te reizen.

In haar rede keek ze verder dan haar eigen situatie. De grootste zorg van deze tijd, zei ze, ‘is de toxische drab die door ons informatiesysteem loopt, aangestuurd door Amerikaanse internetbedrijven, die meer winst maken door haat te verspreiden, en daarmee het slechtste in ons naar boven halen. Het virus van de leugen kan elk van ons besmetten, ons tegen elkaar opzetten, onze angst, woede en haat naar boven halen en het terrein effenen voor de opkomst van autoritaire leiders en dictators.’

Het betekent, zei Ressa in Stockholm, ‘dat we als journalist nog harder moeten werken. We staan op de resten van de wereld zoals die was. We moeten het gezonde verstand en de moed hebben om ons voor te stellen wat er gebeurt als we nu níet handelen. Laten we alsjeblief de wereld creëren zoals die zou moeten zijn, met meer compassie, meer gelijkheid, meer duurzaamheid. Om dat te doen, vraag uzelf: wat bent u bereid op te offeren voor de waarheid?’

De Nobelprijs voor Von Ossietzky in 1935 was een rode vlag, zoals die voor Dmitri Moeratov en Maria Ressa dat nu opnieuw is. We weten wat er kan gebeuren als hun woorden niet worden gehoord, gezien of gelezen.