Koen Broucke verruilde Antwerpen voor Waulsort, een dorpje in de Ardennen dat hij ontdekte tijdens een bedevaart. Het heeft zijn blik op de wereld verruimd en zijn kunstenaarschap verrijkt, vertelt hij aan WIDO SMEETS. ‘Ik ben meer gaan wandelen, de zintuigen staan nu verder open.’

Kijk naar zijn werk en je weet: Koen Broucke is een wandelende schilder. Als kind was er al de fascinatie voor landschappen, met name voor de plekken waar zich historische veldslagen hebben afgespeeld. ‘Met vriendjes manipuleerde ik de uitstapjes met onze ouders. Als we mochten kiezen tussen Walibi en Waterloo, dan werd het Waterloo.’

Ook in minder schuldige landschappen komt de wandelaar in Broucke aan zijn trekken. Na zijn verhuizing van Antwerpen naar Waulsort, diep in de Ardennen, en de lockdowns kort daarop, is wandelen een bijna dagelijkse bezigheid geworden. Niet ver van zijn huis lonken de flanken van de Chamia, een uitgeholde, zilverkleurige rots die tachtig meter boven het Maasdal uitkijkt – Karel van het Reve situeerde er zijn Nacht op de kale berg, de titel leende hij van een muziekstuk van Rimski-Korsakov.  

‘De Chamia is een beklimming die ik regelmatig doe’, zegt Broucke met fluisterhese stem in een lage fauteuil in zijn Villa des Roses – waar de sfeer van vroeger tijden zorgvuldig wordt gekoesterd. ‘Elke keer als ik thuiskom loop ik in een kwartiertje naar boven, dan heb ik ook wat beweging na de reis. Eenmaal boven heb je een magnifiek zicht. Wanneer ik langs de andere kant van de Maas naar de bakker fiets, of daar ga wandelen, zie ik bij een gladde Maas hoe de Chamia zich spiegelt in het water, als een symmetrie.’


advertentie

De Maasvallei onder Dinant is een plaatje. Dat geldt evenzeer voor Waulsort, een belle époque dorpje aan de Boven-Maas met een overdaad aan in eclectische bouwstijlen opgetrokken villa’s, meer dan een eeuw geleden door Belgische industriëlen gebouwd als  buitenverblijf. 

Met genoegen leidt Broucke ons rond in zijn drie verdiepingen tellende Villa des Roses. Een ingrijpende verbouwing staat niet op het programma. De sfeer moet blijven zoals die is, de afgebladderde deuren blijven afgebladderd, het huis is meer dan honderd jaar oud. In de tuin trof hij rozelaars aan van zestig jaar oud. Begin 2019 heeft hij nog eens negen oude Engelse rozen aangeplant, variërend van wit, roze, tot donker-, bijna zwartrood, ‘met één gemeenschappelijke deler: ze zijn allen hevig geurend’. In de salon staan twee 19de eeuwse vleugelpiano’s als yin en yang in elkaar geschoven, er is een op maat ontworpen bibliotheek met een vernuftige, aan een spiraal verbonden ladder om de hogere planken te kunnen bereiken, er zijn kamers waar hij met uitzicht op de vier windstreken evenzovele plekken heeft om het beste licht te vangen voor zijn schilderwerk.  

Deze wandelende schilder doet zijn penseelwerk aan huis. Hij werkt niet en plein air, wat je zou verwachten in zo’n rijkelijk met licht en lommer bedeelde omgeving. ‘Alleen al het idee, ook al is de kans gering, dat iemand over mijn schouder zou meekijken, maakt dat ik een andere verhouding krijg tot dat werk. Uiteindelijk gaat het over de ervaringen van die wandeling. Juist dat stuk herinneringsarbeid is van belang, ik hoef dat niet ter plekke te schilderen.’

Liever maakt hij onderweg schetsen en foto’s. Terug thuis gaat hij daarmee aan de slag. ‘Wat ik niet kan, is een foto van internet halen en van daaruit schilderen. Of, zoals bijvoorbeeld Luc Tuymans het doet, aan de hand van krantenfoto’s. Bij mij werkt dat niet, zo’n foto is de energie van iemand anders.’ Het woord energie komt voortdurend bij hem terug, als maatstaf voor artistieke kwaliteit. Zijn waardering voor Van Gogh, Picasso en Polke is niet academisch, het is vooral de energie die – nog steeds, van hun doeken spat. 

Koen Broucke: ‘Wanneer ik langs de andere kant van de Maas naar de bakker fiets, zie ik bij een gladde Maas hoe de Chamia zich spiegelt in het water, als een symmetrie.’ foto Marleen Daniëls

Waar te beginnen bij een alleseter  als Koen Broucke (Sint-Amandsberg, 1965); hij is historicus, beeldend kunstenaar, hoofdpersoon in de roman Kamer in Oostende van Koen Peeters – een ode aan de vriendschap en aan Oostende waar hij ontelbare zeegezichten schilderde, vaak met, amper zichtbaar, een kleine, menselijke gedaante. Net vandaag liggen op zijn piano’s negen   van deze marines te drogen. Broucke treedt ook op als concertpianist en performer. En in 2017 promoveerde hij in Leuven op de bijdrage die de zintuigen kunnen leveren aan de cognitieve geschiedschrijving zoals wij die kennen. Het kunstenaarschap, is zijn stelling, kan ‘de atmosferische lagen van de geschiedenis, ofwel de draagsporen, de pijnsporen en de kleursporen ervan’ toevoegen aan de gangbare methodes van de historici. 

Hij schrijft ook dagboeken. Aanvankelijk op papier, vaak waren het niet meer dan losse aantekeningen, daarna digitaal, toen kwam er meer lijn in. Die teksten, afgewisseld met foto’s, schetsen en schilderijen, resulteerden deze zomer in Het geheugen van sneeuw, een prachtige bloemlezing uit zijn herinneringen, in woord en beeld, uit de periode 2013-2021.

Waar te beginnen bij iemand als Koen Broucke, een artistieke en intellectuele veelvraat die – ook dat nog – voortdurend herbegint? 

 

‘De bedevaart was een hoogtepunt in mijn leven, in mijn biografie, een fantastische ervaring’

In medias res wellicht, bij een betekenisvol moment ergens halverwege? Zoals de bedevaart naar Miavoye, het dorp waar dichter Paul van Ostaijen in 1928 zijn laatste weken doorbracht, die hij ondernam met schrijver Koen Peeters, journalist Pascal Verbeken en dichter Peter Holvoet-Hanssen. Ze vertrokken als Van Ostaijen-liefhebbers, ze keerden terug als vrienden. ‘Het was een hoogtepunt in mijn leven, in mijn biografie, een fantastische ervaring. Vier mannen die alles van en over Van Ostaijen hebben gelezen, vertrekken op een tocht van drie dagen, en ze hebben alleen daarover te praten. Al de rest valt weg, je kijkt, je maakt elkaar attent op dingen die met elkaar te maken hebben, of zelfs niks met elkaar te maken hebben, je eet samen, je slaapt samen.’ 

Het was tijdens die expeditie dat Broucke, in Antwerpen getuige van de grootstedelijke herverkaveling van de ommelanden, verliefd raakte op het in de tijd gestolde dorpje Waulsort. Hij keerde ernaar terug, deed een bod op een herenhuis aan de Maas en ging er in 2014 wonen. 

Een cultuurshock moet het zijn geweest, van het wereldse Antwerpen naar het introverte Wallonië, van de winderige Schelde naar de beschutte Maasvallei. Heeft die breuk met zijn verleden zijn kunstenaarschap verrijkt? ‘Ik ben meer gaan wandelen, de zintuigen staan nu verder open. Ik schilder hier niet alleen met mijn ogen, maar evengoed met mijn tastzin, met het contact dat ik maak met de bodem, met geuren en geluiden. Wanneer ik wandel ben ik me heel erg bewust van het contact dat ik maak, of ik op steen loop, op mos, of op bladeren, en van wat ik ruik.’ 

De laatste tijd is hij ook bezig met klankopnamen, die hij dan tijdens performances afspeelt. ‘Ze raken zo mee verstopt in de schilderijen. Ik ben ervan overtuigd dat dat de kracht van een schilderij de stilte is, dat de stilte de conditie moet zijn om een schilderij goed te kunnen bekijken. Tegelijkertijd kan een schilderij vol muziek zitten; de jazz bij de Cobra-schilders, de muziek van Schumann bij de schilderijen van Caspar David Friedrich. Hoe meer muzikale kennis en ervaring je meebrengt, hoe meer je ziet.’

‘Het meest fundamentele gebeurt in de tijd dat ik niet schilder. Als de verf aan het drogen is, worden de keuzes gemaakt’

In Het geheugen van sneeuw schrijft Broucke over het tussentijds drogen van de verf, dat het langer duurt dan het aanbrengen ervan. ‘Het is omdat ik in lagen schilder, transparante lagen in hoofdzaak. De meeste tijd zit dan in het droogproces, bij aquarel of acryl is dat soms een half uur tot een uur. In die periodes is er veel tijd om na te denken; het is iets van mediteren, voor me uit zitten staren. Het meest fundamentele gebeurt in de tijd dat ik niet schilder, dán worden de keuzes gemaakt. Er is een raadselachtig schilderij van Sigmar Polke, daar staat ‘diese Ecke schwarz malen’. En dat is dan ook, heel geestig, zwart geschilderd. Dat gevoel heb ik ook, dat er bij wijze van spreken stemmen zijn die zeggen hoe ik verder moet. Misschien is het een soort van kennis die, in het beste geval, verbonden is met de kennis van Van Gogh, of Polke of Friedrich, en die maakt dat je op zo’n moment weet wat je als schilder moet doen. Dat heeft niks te maken met opleiding of rationele kennis, dat is een impuls die je krijgt. Je moet je er wel voor openstellen; als je naar de academische regels schildert, wordt het zo saai.’

Hij is dan wel verhuisd, helemaal weg uit Vlaanderen is Broucke niet. Hij is een pendelaar, vaak onderweg, naar een optreden, naar zijn lief in Oostende , naar de zee – zie de drogende werkjes op de piano’s. Hou verhoudt, schilderkunstig gezien, de Noordzee zich tot de Maas? 

Broucke verwijst naar Koen Peeters, die bij een van zijn schilderijen opmerkte dat de zee ook een zelfportret is, een weerspiegeling van je emoties. Tegelijkertijd kun je er ook je gevoelens kwijt. Broucke: ‘Als je veel verdriet hebt, kan de zee voor troost zorgen. Bij rusteloosheid brengt ze je tot bedaren. Bij een teveel aan rust, bij een neiging naar apathie, geeft ze juist energie.’

‘Door het water op beide plekken aandachtig te observeren zie ik echt iets gebeuren dat ons aan het ontsnappen is. Ik voel een maatschappelijke verantwoordelijkheid om dat vast te leggen’

De verhuizing van stad naar platteland heeft Broucke naar eigen zeggen dichter bij het hier en nu gebracht. ‘Al het water dat hier passeert, stroomt naar de zee. Ik ben een bevoorrechte getuige van de drama’s die zich voor onze ogen aan het afspelen zijn: de klimatologische opwarming van de aarde, het stijgen van de zeespiegel, de overstroming van afgelopen zomer, afgezet tegen de historische overstromingen van de Maas. In het verleden zijn ergere overstromingen geweest, maar er waren toen nog geen sluizen en barrages die het niveau van de rivier reguleren. Wat zich deze zomer heeft afgespeeld is absoluut een ramp. Door op beide plekken te zijn en het water op beide plekken aandachtig te observeren zie ik echt iets gebeuren dat ons aan het ontsnappen is. Ik voel een maatschappelijke verantwoordelijkheid om dat vast te leggen. Dat zou niet kunnen als ik alleen aan de zee zou zitten of alleen hier zou zijn.’

We komen nog te spreken over de impact van de aanslagen in Brussel op zijn schilderwerk, over de klimroute tegen de steile wand van de Chamia die koning Albert I ooit liet vastleggen (voor hij in 1934 te pletter viel van een vergelijkbare rots bij Namen), over de grote tentoonstelling over het thema water die hij voorbereidt voor 2024, over de Gesänge der Frühe van Schumann die hij de laatste dagen speelt op zijn piano. 

Dan dringt de tijd, de Chamia lonkt. Hij staat op en zegt: ‘Zullen we nu dan gaan wandelen?’

Koen Broucke, Het geheugen van sneeuw. Geschilderd dagboek. Met voorwoord van Pascal Verbeken.  Arthabooks, Gent, 2021.