Deze kernenergieke zon kwam niet gerezen. De doemsdags opgezwollen op exploderen staande roodgloeiende bal groef zich ongenadig in tegen de misvormde humus- richel horizon. Op zijn laagste punt stond de zon, op één hoogte met mij. Tussen hem en mij leunde alleen een rij kale zwart hooggaande slungelbomen alle kanten op. Het alles verheerlijkt tonend stationaire licht illumineerde de grietenij. Het oudgoud en zwart schilderij verscheen op de achterwand van mijn gewitkalkte cel. Bij dat statie-illuminatielicht zat ik aan mijn...