“Wil je er iets over vertellen?”, vraagt mijn moeder. We zitten op een terras in Münster, de zon brandt genadeloos op ons hoofd. Mijn moeder zet haar vissershoedje op, ik mijn zonnebril. Zouden in deze zon niet alleen softijs en asfalt, maar ook gevoelens smelten, vraag ik me af, denkend aan de laatste week. Mijn liefdesrelatie leek zichzelf te ontbinden. De perikelen staan me in het gezicht geschreven. Voor mijn moeder dan. 

“Ik wil er eigenlijk niet over praten,” antwoord ik. Want waar gaat het ook over? In de context van een heel mensenleven stelt deze crisis weinig voor. “Groeipijn”, zeg ik en neem een slok van mijn groene thee. Hoort die pijn er niet gewoon bij, in een goede relatie? Uiteindelijk draait het allemaal om verandering: ben je in staat te veranderen? En kun je hetgeen dat níet te veranderen valt – aan jezelf en aan elkaar – toch accepteren? Alleen, hoe weet je wat onveranderbaar is?

Ik probeer van thema te wisselen. “Heb ik je al van dat interview met de honderdjarige verteld?” Ter gelegenheid van haar honderdjarige jubileum publiceert De Volkskrant een reeks lezenswaardige interviews met mensen die even oud zijn als de krant. Onlangs was een zekere Yvonne Koster-van Schuylenburch aan de beurt, de journalisten zochten haar op in een zorginstelling in Bussum waar ze tegenwoordig woont. Ze groeide op in Nederlands-Indië, tot haar gezin als gevolg van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog in 1950 naar Nederland emigreerde. 

De eerste twintig jaar van haar leven was Nederlands-Indië haar thuis geweest. Totdat in 1945 Indonesiërs hun huis binnen vielen. De familie had één uur had om te vertrekken. “Daarna is dit huis niet meer van jullie.” Toen ze eenmaal vertrokken waren, staken de revolutionairen het huis in brand. 

Ik stel me de ervaring als bijzonder traumatisch voor want, zoals Koster-van Schuylenburch het zelf zegt: “Nederlands-Indië voelde als mijn land, ik ben er geboren. Ineens waren we de vijand.” 

Maar ze heeft nog niet alles verteld. 

“Ik heb het boek Revolusie gelezen, over de onafhankelijkheidsstrijd, en ben nu bezig in deel 2. De schrijver [David Van Reybrouck] heeft veel oudere Indonesiërs gesproken. Uit hun verhalen blijkt dat de bevolking hunkerde naar onafhankelijkheid. Dat zag, hoorde en voelde ik destijds niet. Nu begrijp ik het beter.” 

Ik dacht dat ik niet goed las. Zei deze vrouw van een eeuw oud daadwerkelijk dat ze haar mening had bijgesteld over de misschien wel meest pijnlijke, traumatische en ingrijpende belevenis van haar leven? 

Mijn moeder glimlacht, haar manier om me te zeggen dat ze mijn fascinatie voor dit verhaal begrijpt. Een wesp landt op de rand van haar glas. Ik zie het insect aan de binnenkant naar beneden kruipen en drinken van haar Apfelschorle. Mijn moeder ziet het niet, haar gedachten zijn elders. Ineens zegt ze: “Gisteren liep ik Rita tegen het lijf. Je weet wel, mijn collega uit het ziekenhuis, lang geleden.” Ik knik. “Rita is destijds met een arts getrouwd, hij is dertig jaar ouder dan zij. Bij ons in het dorp wordt hij ‘de professor’ genoemd. Nu is hij aan het dementeren en zij verzorgt hem.” Ik zie het voor me, een grijs geworden, licht gebogen en ietwat uitgeputte vrouw die met een poging tot een zachte glimlach een lepel aardappelpuree aan haar echtgenote voert. 

“Rita heeft een minnaar”, zegt mijn moeder. “Ze verzorgt haar man van A tot Z, maar in het weekend neemt ze weleens ‘vrij’.” 

 Ik glimlach naar mijn moeder. “Hoe fijn het toch kan zijn om het eens niet over jezelf te hebben, vind je niet?”