Aan een Kempisch meisje Gij Kempisch meisje met uw donkerbruine haren, uw glinsterende blik in ’t fijn gelaat, uw helle en vrije stem, die klare klanken slaat opsprankelend als ’t geschal der wilde vogelscharen; Uw geest bezielt het werk ter ouderlijke woon; uw levenslust brengt vrede en blijheid, allerwege lacht u de vriendschap toe, lacht u de vreugde tegen, uwe eerzaamheid ter eer, uw minzaamheid ten loon… O moge uw leven steeds zoo ongerimpeld vloeien! In ’t hoofd geen nevelen...