‘Nadat ik enkele nummers van het cassettebandje herken, durf ik mijn jas uit te trekken.’ Speciaal voor ZOUT schrijft A.H.J. DAUTZENBERG over zijn coming of age, de vormende jaren waarin hij in de ban raakte van harde gitaren en beukende drums.

Bedeesd overhandig ik het op ruw kartonpapier gedrukte toegangskaartje aan de magere man. De sigaret die nonchalant in zijn mondhoek bungelt, geeft de iele zaalwacht iets stoers, ongenaakbaars. Ik heb wel eens aan een sigaret getrokken, maar dat was geen succes: een akelige kriebel, een smerige smaak. De meesten van mijn leeftijdsgenoten uit de arbeiderswijk waar ik woon roken wel, meestal zware shag. Mijn tweelingbroer ook, stiekem.

De man scheurt een hoekje van mijn kaartje af. Zenuwachtig loop ik achter Theo en Lange Piet aan, mijn tweelingbroer Hub aan mijn zijde. Via een grote toegangsdeur komen we in een enorme ruimte terecht. De Limburghal is volgens Lange Piet gehalveerd; een log gordijn begrenst de achterzijde van de zaal waarin het gaat gebeuren. Het. Mijn eerste concert.

Ik kijk om me heen en zie alleen maar mannen. Hub en ik zijn de jongste bezoekers. Dat voelt zowel bedreigend als uitnodigend. Het is begin 1982, we zijn een maand eerder veertien geworden. We dolen sinds kort rond in het niemandsland dat bij die leeftijd hoort; op zoek naar houvast, naar identiteit. Ik vind die deels in voetbal, al verhinderen mijn spillebenen en smalle schouders dat mijn spelinzicht en techniek voldoende uit de verf komen. Mijn broer is fysiek een stuk sterker, en dus succesvoller op het veld.

Muziek, laat staan goede muziek, wordt bij ons thuis niet gedraaid.

We zijn uitgenodigd door Theo, de man van Romy, een jongere collega van mijn moeder. Mijn ouders zijn niet zo met muziek bezig. Mijn moeder kijkt op de televisie graag naar Mireille Mathieu, op das Deutsche Fernsehen – we wonen dicht bij de Duitse grens. Ze heeft zelfs dier tuttige bobkapsel gekopieerd. Mijn vader houdt vooral van liedjes in het dialect; de Kerkraadse carnavalsschlagers en de Bläck Fööss uit Köln zijn favoriet. Muziek, laat staan goede muziek, wordt bij ons thuis niet gedraaid.

Uit de grote slaapkamer van mijn broer kwam in die jaren ook nauwelijks geluid, maar we deden indertijd nog veel samen, zoals een tweeling betaamt, dus staan we zij aan zij in de Limburghal, allebei met dezelfde gevoerde donkergroene winterjas aan. Jut en Jul, denk ik nu – mijn moeder had moeite ons van elkaar los te maken, en wij wisten nog niet goed hoe dat moest –, maar tussen al die langharige mannen zorgde het spiegelbeeld naast me voor herkenning, controle. Overigens was het niet veel later gedaan met de twee-eenheid, en de afscheiding bleek irreversibel. Gelukkig, en helaas.

Van Romy kreeg ik enkele weken voor het concert een door Theo opgenomen cassettebandje met Double Trouble, het nieuwe album van Gillan. Dat was de band waar we naartoe zouden gaan: Gillan. Ik vond de muziek op het bandje spannend: de pompende bas, de drums, de gitaarsolo’s, de onheilspellende toetsen en die krijszang. Dat Ian Gillan de zanger was van Child in Time wist ik toen nog niet. Ik had wel al enkele lp’s – Outlandos d’Amour en Reggatta de Blanc van The Police, A Night at the Opera en Live Killers van Queen, alles van Fischer Z en, sorry, Adam and the Ants –, maar Gillan was mijn introductie tot het hardere werk, het échte werk. In mijn hoofd zong ik de liedjes fonetisch mee.

Ian Gillan in de Limburghal in Genk, 1982

Terug naar de Limburghal in Genk. Echt druk is het niet; we kunnen rustig naar voren lopen, al durf ik dat niet. De zaal is kaal en sfeerloos, op het van stellages gemaakte podium staan de instrumenten klaar, omringd door tientallen grote boxen. Helemaal links op het podium ontwaar ik twee bongo’s. Bongo’s? Ik ken ze uit de doodsaaie muziekles waarin op een weinig enthousiasmerende manier muziekinstrumenten worden behandeld. Mevrouw Clout (spreek uit: Kloet) was vooral gecharmeerd van het houten blokje, de triangel, de tamboerijn en de xylofoon. Om de beurt stonden we voor paal met in elke hand een stokje met daarop een donkerbruine stoffen bol.

De muziek sterft weg, de lichten gaan uit, het voorprogramma begint: Tygers of Pan Tang. Ik kan me niet herinneren of ik het goed vond, ik was te zenuwachtig. Dat John Sykes de gitarist was, las ik een jaar later in de Aardschok toen hij toetrad tot Thin Lizzy en Thunder and Lightning verscheen – in mijn ogen Lizzy’s beste studioalbum, op de voet gevolgd door Black Rose. Het geluid in de zaal is hard, keihard; ik zet de gevoerde kraag van mijn jas omhoog om het gedreun te dempen. Tegen de tijd dat Gillan begint, in een wolk van rook, ben ik aan het lawaai gewend. Wanneer Ian Gillan op de bongo’s begint te slaan, en dat doet hij best vaak, slingert hij zijn manen wild door de lucht. Nadat ik enkele nummers van het cassettebandje herken, durf ik mijn jas uit te trekken. Ik voel aan alles: dit is mijn muziek, ondanks de bongo’s.

Mevrouw Clout (spreek uit: Kloet) was vooral gecharmeerd van het houten blokje, de triangel, de tamboerijn en de xylofoon.

Tevreden zit ik achterin de auto wanneer we van Genk terugrijden naar Schaesberg. Met piepende oren. Een teken dat het hard was. Een teken dat het goed was. Een teken dat het stoer was. Een teken dat ik ook de komende decennia verkeerd interpreteer. Met gevolgen. Metalfans zijn oververtegenwoordigd bij de kno-arts of de audicien en ze worden in bed regelmatig gemarteld door reminiscenties van hun sonische avonturen.

Een jaar later zie ik in de Rodahal Iron Maiden en verandert mijn leven drastisch. Dít is mijn muziek… Het kaartje voor het concert had ik zelf gekocht, bij platenzaak Satisfaction in Heerlen, sinds kort mijn belangrijkste toevluchtsoord. Ik had inmiddels een krantenwijk, zoals veel van mijn vrienden; ik sta zes dagen in de week om vijf uur op en bezorg de Volkskrant en Trouw in Schaesberg. Daarmee verdien ik ongeveer dertig gulden per week. Dat betekent dat ik wekelijks een lp kan kopen én een bedrag opzij kan leggen om te sparen voor een concertkaartje en een tour-shirt.

Iron Maiden in de Rodahal in Kerkrade, 1983

Ook bij Maiden is het niet echt druk. Een treinstaking heeft het openbaar vervoer lamgelegd. Dit keer durf ik wél naar voren te lopen. Ik zie van dichtbij Steve Harris in zijn karakteristieke pose: voet op de box, zijn basgitaar als een mitrailleur op het publiek gericht. En Bruce Dickinson… overrompelend. ‘Scream for me, Kerkrade!’ En voor het eerst zie ik live twee gitaristen soleren, om en om, ik weet niet goed waar ik moet kijken. Het intro van The Number of the Beast – in de linkerbovenhoek doemt Magere Hein op uit een rookwolk – scandeer ik voorzichtig mee; in het donker ben ik minder verlegen.

Trots liep ik in de weken na Maiden door de gangen van mijn middelbare school met het logo van de World Piece Tour op mijn borst en de speeldata (Kerkrade!) op de rug. Ongenaakbaar en stoer voelde ik me niet, helaas, maar een identiteit had ik wél. Ik liet mijn haren groeien en werd een fanatieke metalhead, en die liefde is daarna gelukkig nooit meer verdwenen. Mijn muzikale blik verruimde in de loop der jaren, maar metal vormt nog altijd het hart daarvan, de tonica. Hoor ik een harde riff, een stuwende bas en dynamisch drumwerk, dan begint mijn lijf automatisch mee te bewegen. De kleefkracht van heavy metal is piramidaal.

‘Scream for me, Kerkrade!’

CRASH! BANG! WALLOP!  verschijnt bij Excelsior en is vanaf eind november verkrijgbaar op dubbel vinyl, cd of als download. Met nummers van o.a. Acid, Bodine, Killer, Picture, S to S en The Rogers. Plus, primeur!, een nummer van Mover, de eerste band van Arjen Lucassen.

De New Wave Of Low Lands Heavy Metal

Met de dubbel-elpee CRASH! BANG! WALLOP! eren A.H.J. Dautzenberg (1967) en Vincent Loozen (1966) de pioniers van de heavy metal in Nederland en België. De New Wave Of Low Lands Heavy Metal, de golf van metalbands die in de jaren 1979-1984 door de lage landen rolde. Ze stelden een compilatie samen en schreven een boek vol interviews met muzikanten, organisatoren, journalisten, platenbazen en fans uit die tijd, zoals Hanneke Kappen, Jan Bijvoet, bijna-metalgitarist Jack Poels, Kate De Lombaert en Walter Hoeijmakers. De compilatie is ook verkrijgbaar in een speciale box, met daarin de dubbel-lp plus een boek met interviews en reportages. excelsior-recordings.com