Een meisje dat zich, aangevuurd door de menigte, de dood in danst. De extase in Le sacre du printemps sloot in 1913 aan op de oorlogszucht die om zich heen greep. Tot de dag van vandaag, stelt JACQUELINE OSKAMP vast, zoeken componisten naar de extase als de ultieme muzikale bevrijding. Wie een shortcut naar extase wil, neme een pilletje: xtc. De naam zegt het al. Geestverruimende middelen, of het nu gaat om mescal, ayahuasca, paddo’s of andere psychedelica, zijn van...
alle tijden. De behoefte het aardse en alledaagse te ontstijgen en misschien zelfs op te gaan in het goddelijke of kosmische is een ‘oud’ verlangen. Al eeuwenlang beoefenen monniken meditatie om ‘verlicht’ te raken. Om deze staat van zijn, waarin de geest zich lijkt los te maken van het lichaam, te bereiken, is muziek een goede tweede. Muziek spreekt immers direct ons onderbewuste aan: klank en ritme bespelen het gevoelsleven en slaan het verstand als het ware over. Aan het begin van de 20ste eeuw beet de Russische componist Alexander Skrjabin zich vast in het idee een hemelbestormende extase in klank te creëren. Zijn twintig minuten durende Poème de l’extase voor orkest, voltooid in 1908, werd als zodanig herkend door de schrijver Henry Miller, die in zijn roman Nexus de muziek vergelijkt met ‘een ijsbad, cocaïne en regenbogen. Wekenlang was ik in een trance. Er was iets met me gebeurd’. Le sacre du printemps in een choreografie van Maurice Béjart. © foto BBL – Valérie Lacaze Voor de componist was het slechts een vingeroefening. Geïnspireerd door een persoonlijke cocktail van filosofische ideeën (de theosofie, Upanishads en Nietzsche) zette hij zich in 1909 aan Prometheus voor orkest en lichtorgel, dat harmonieën in kleur vertaalde. Skrjabin was gevoelig voor synesthesie (het fenomeen waarbij bijvoorbeeld een klank ook meteen een kleur oproept) en hij hoopte ook bij zijn publiek zoveel mogelijk zintuigen tegelijk te bespelen. Het vuur van de mythologische figuur Prometheus symboliseerde voor hem de creatieve energie en een extatische verruiming van het menselijk bewustzijn. Het ultieme doel was een mystieke eenwording met de kosmos, waarvan hij zichzelf als het middelpunt zag. Toch realiseerde Skrjabin zich dat hij het met alleen klank en kleur niet ging redden. Het moest groter, allesomvattend. De overtreffende trap werd het onvoltooid gebleven Mysterium, waarin alle kunsten zijn vertegenwoordigd en met elkaar verbonden. Plaats van uitvoering: een Indiase tempel aan de voet van de Himalaya in de vorm van een halve bol, die wordt weerspiegeld in het water zodat er voor het oog een volledige aardbol ontstaat. Skrjabin stierf in 1915 voordat zijn Gesamtkunstwerk klaar was, maar in ambitie stak hij die andere romanticus, Richard Wagner, naar de kroon. Niet alleen vanwege de ongekende proporties, vergelijkbaar met diens vier avonden durende operacyclus Der Ring des Nibelungen, ook vanwege de extase die Wagner had verklankt in Tristan und Isolde. Isolde geeft Tristan een drankje (en neemt zelf ook een flinke slok) in de veronderstelling dat het gif is maar dat in werkelijkheid een hallucinogeen goedje bevat. En dan gaat het los. Ze vatten ter plekke een alles overstijgende liefde voor elkaar op, zo groot dat deze alleen in de dood ten volle tot haar recht kan komen. Bij Maxim Shalygin gaat het oorlogsgeweld over in een grimmige dans: de dood (van die ene) als de ultieme extase Liefde, dood en extase – het zijn bij uitstek de thema’s van de romantiek. Ook in de barok- en klassieke muziek wordt de luisteraar in het hart geraakt, maar dan is er vooral sprake van ontroering – zowel de noten als de emoties blijven keurig binnen de maatstreep. Kenmerkend voor de extase is het absolute, het grensoverschrijdende, het verzengende, waarmee ook een destructieve kracht zijn intrede doet. In 1913, vlak voor de Eerste Wereldoorlog, gaat Le sacre du printemps in première. Het ballet van Sergej Diaghilev op de stampende muziek van Igor Stravinsky zet de beau monde van Parijs op zijn kop. Het lenteoffer behelst een jong meisje dat gedwongen en aangevuurd door de menigte zich de dood in danst. Het gegeven hebben de makers ontleend aan de Russische folklore, maar het sluit aan op een steeds openlijker oorlogszucht die zich van Europa meester maakt, ingegeven door primitieve gevoelens van nationalisme, groepsinstinct, opoffering, dood. Zoals het lentemeisje zich onherroepelijk naar haar einde danst, zo rennen de daaropvolgende jaren miljoenen jonge soldaten vanuit de loopgraven hun graf tegemoet. Geen wonder dat veel luisteraars eenzelfde onafwendbaar onheil herkennen in La valse van Maurice Ravel, die hij kort na de oorlog componeert. Ook in dit (oorspronkelijke) ballet manifesteert zich die rondtollende gekte, van gracieus naar grimmig, een denderende machine die in een angstaanjagende en onstuitbare herhaling alles op zijn weg verplettert. Overigens ontkende Ravel zelf ‘een dodendans’ te hebben geconcipieerd – hij sprak in puur muzikale termen over het werk als een stapeling van instrumenten – maar luisteraars konden niet om de gewelddadige euforie heen, die werd geïnterpreteerd als de ondergang van de wals oftewel het échec van de Europese beschaving. In de volgende wereldoorlog werd de Europese civilisatie pas echt op de proef gesteld: niet alleen eiste deze oorlog opnieuw tientallen miljoenen doden, de Holocaust oversteeg volledig het menselijk voorstellingsvermogen. De collectieve moordpartij door de nazi’s werd na 1945 onder andere uit de Duitse Romantiek verklaard. De Untermensch van Nietzsche, de megalomanie van Wagner, de Sehnsucht naar alles wat (niet alleen in het Verdrag van Versailles) verloren was gegaan hadden tot bittere ressentimenten geleid: de Duitse onderbuik was tot een stinkende beerput verworden. De geallieerden kozen nadrukkelijk voor het primaat van de ratio. Het streven naar een langdurige vrede werd gevat in vele regels, verdragen en instituties. Zo betekende ook het modernisme in de kunsten een afrekening met alles wat irrationeel was: niet alleen die vooroorlogse draaikolk van emoties, ook een op geloof gebaseerd fenomeen als religie. De twaalftoonstechniek, die de Oostenrijkse componist Arnold Schönberg in het Interbellum had ontwikkeld, wordt nu op een nog strengere leest geschoeid: alle muzikale parameters zijn vastgelegd in een reeks, waarmee het componeren een cerebrale methode is geworden. De voormannen van deze nieuwe stroming zijn de Franse componist Pierre Boulez en de Duitser Karlheinz Stockhausen. De laatste was persoonlijk geraakt door de rücksichtlose wreedheid van de nazi’s: zijn in een psychiatrische inrichting verblijvende moeder werd ‘geëuthanaseerd’, zijn vader liet als soldaat het leven. Stockhausen en Boulez forceren een breuk met dat beladen verleden, ze willen met een schone lei verder. Korte tijd klinkt er in de Europese concertzalen een nieuw idioom: een muziek van alle smetten vrij. Maar niet iedereen laat zich een nieuwe wet voorschrijven. Bijvoorbeeld Olivier Messiaen, die nota bene zelf in een concentratiekamp heeft gezeten en als een van de eersten een volledig serieel stuk schrijft, beschouwt zijn geloof als het enige kompas. Deze Franse katholiek, eveneens ontvankelijk voor synesthesie, is een door en door religieus man, die in alle details van de schepping de hand van God herkent. Komt het doordat hij bezeten is van zoiets onschuldigs als vogelzang, in zijn ogen de ultieme goddelijke openbaring, dat hem zijn vroomheid niet wordt aangerekend? In deze vogelkoren, zowel voor piano als voor orkest, brengt Messiaen een extatische ode aan de Schepper: hij trekt alle registers open om het mysterie van het leven te bejubelen. Met kwinkelerende vogels, grootse harmonieën, stralende kleuren probeert hij Gods rijkdom te evenaren, een missie die gedoemd is te mislukken maar die hij toch met een totale inzet en met groots resultaat volbrengt. Ook in nuchter Nederland sijpelt het religieuze voorzichtig door in het componeren. Wat te denken van Hadewijch (1988) van Louis Andriessen en Suster Bertken (2010) van Rob Zuidam? Beiden kiezen een Nederlandse mystica als onderwerp, vrouwen die zich door middel van meditatie en abstinentie hopen te verenigen met God. In hun visioenen wordt die eenwording werkelijkheid: alle grenzen vallen weg en een erotisch geladen extase neemt het over. In zowel de muziek van Andriessen als Zuidam is geen sprake van primitieve krachten maar juist van een geserreerde verinnerlijking, vervoering die zich uitdrukt in een spirituele verhevenheid en overgave. Opmerkelijk genoeg duikt het megalomane weer op bij Karlheinz Stockhausen, die ooit zo streng in de (rationele) leer was, maar zich in de loop van de jaren volledig verliest in een hoogstpersoonlijke kosmologie. Keerpunt is het jaar 1968 als zijn vrouw Mary Bauermeister laat weten bij hem weg te gaan. Stockhausen, opnieuw verweesd, raakt in een existentiële crisis en gaat in hongerstaking. De fysieke en mentale uitputting, gevoed door een boek over de Indiase yogi en filosoof Sri Aurobindo, leidt tot een spiritueel inzicht dat een radicale ommezwaai in zijn bestaan én zijn muziek betekent. Licht heet het magnum opus dat hij bij zijn dood nalaat: de zeven dagen van de week (en van de schepping), die een zelf gecreëerd universum vormen gebaseerd op elementen uit verschillende culturen en esoterische tradities en bevolkt door zijn protagonisten Lucifer, Michael en Eva. Elke dag heeft een eigen amalgaam van klanken, kleuren, symbolen, planten en dieren. Net als Wagner en Skrjabin heeft Stockhausen een Gesamtkunstwerk voor ogen waarin hij zang, dans, instrumenten, licht, beweging, elektronica en kostuums heeft mee gecomponeerd. Dit spirituele en speelse scheppingsverhaal doet ietwat naïef aan in ons huidige tijdsgewricht, waarin oorlog opnieuw het Europese toneel heeft veroverd. De Oekraïens-Nederlandse componist Maxim Shalygin (1985) schreef recentelijk het indringende orkestwerk Burlesque on the Death of a Dictator waarin het orkest het uitschreeuwt. Maniakale signaaltonen in het koper schetteren over een voortdenderende en stampende machinerie. Het oorverdovende oorlogsgeweld gaat ongemerkt over in een grimmige dans: de dood (van die ene) als verlossing – de ultieme extase. Festival Musica Sacra – Extase. Van 18.09 t/m 20.09 in Maastricht. musicasacramaastricht.nl
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent.
Klik hier als u abonnee wil worden - voor 6,60 euro per maand ontvangt u het kunst- en cultuurmagazine voor het Zuiden. Sluit u nu aan!