[uit: De stilte van o] O, die ongeziene genadeloze, we buigen vloekend voor hem, zinnen op uitwegen wraak en bouwen gekortwiekt Inwendig aan nieuwe wendbaarheid leren elkaar zandkorrels tellen, halen een hand door rimpelend water fluisteren: het komt en het gaat en het komt, dit is de kleine eenzaamheid van de mens in zijn dunste hemd dat hij nog aanhouden wil en kijkt hoe hij zwaait naar een onbekende op straat. HESTER KNIBBE Uit: Hester Knibbe, Barcode van...