De biografie van Joost Zwagerman zet generatiegenoot JOS PALM aan het denken over zijn eigen verleden als provinciaal in de grote stad, al verkeerde híj in kringen waar jonge historici de toon zetten. Een van hen was Frans Smits, later hoofdredacteur van het Historisch Nieuwsblad. Zijn einde was zowat even tragisch als dat van Zwagerman. Wij werden geen beroemde schrijver, geen programmatische dichter, geen televisie-icoon, geen nationale grootmond en geen vrouwenverslindende versierder. Geen van ons – op één na dan,...
die zijn vonnis langzaam en consequent voorbereidde – ging op eigen initiatief voortijdig dood, en geen van ons kwam uit Alkmaar. En toch moest ik vaak aan ons denken bij het lezen van Maria Vlaars biografie over opkomst, triomfen en ondergang van Joost Zwagerman. Want ook wij waren zelfverklaarde rotzooitrappers. Niet, zoals hij, in de gewijde tempel van de literatuur, maar in het bij-tempeltje van de geschiedschrijving waar nog de laatste professoren van voorheen rondliepen en waarvan hun taaie artikelen producerende epigonen een kantoor met afdelingen aan het maken waren. Ook wij waren jong en onverbeterlijk zelfingenomen in de vroege jaren negentig – en barstten van de geldingsdrang om iemand te worden. Ook wij moesten ons zien te handhaven in de wereldstad Amsterdam, terwijl alle grootstedelijke vanzelfsprekendheid in woord, gebaar en toon ons ten enenmale ontbrak – we kenden de stad alleen van de televisie, van provorellen en Baantjer. En ook wij moesten de handicap van onze geboortegrond overwinnen. Wij kwamen, net als Joost, uit de provincie waar andere omgangsvormen en ongeschreven regels golden. In de wereldstad moest je jezelf meteen laten zien, in de kroeg, op de academie, op vergaderingen en bijeenkomsten. Je moest het momentum grijpen, want het was nog maar de vraag of je een tweede of derde kans kreeg. Op het platteland daarentegen teerde je, sommigen vegeteerden zelfs, op de zekerheid van de volgende gelegenheid die zich vast zou voordoen (zo was er in ons dorp het meisje IJ dat jaren wachtte op het aanzoek van de tot over zijn oren verliefde jongen X dat nooit is gekomen). Je kwam er elkaar altijd weer tegen, daar kon je de klok op gelijk zetten; lukte het vandaag niet, dan lukte het morgen of overmorgen, of volgende week of over een maand. Haast was verdacht. Je tempo was navenant en zo ook je assertiviteit, een begrip dat niemand in het dorp kende en dat men er onmiddellijk zou hebben verward met een grote mond hebben. Sukkel, dat je de drank hebt laten winnen, fluisterde ik zachtjes in mezelf Aardig zijn omdat je aardig gevonden wilde worden was vanaf de step en bromtol onze vertrouwde tweede natuur. Het was je toegangskaartje tot je plek in de kleine samenleving. Je aanpassen, niet meer willen zijn dan een ander, was er integraal onderdeel van – ik hoor nog altijd de slepende stem van tante Lies die, alsof het een Godsbewijs betrof, onder het aardappelen schillen met lijzig venijn sprak over deze en gene die te hoog gevlogen was en derhalve diep gevallen. We moesten van binnen wit en vlekkeloos zijn, net als het bloesje met stropdas dat je droeg onder je zondagse pakje naar de kerk. Maar, gesocialiseerd tot brave ventjes, wílden we helemaal geen aardige jongens zijn. Aardig zijn, zo hadden we ontdekt, was een vorm van non-existentie, een capitulatie aan het dorp dat in je voortwoekerde. We wilden onmogelijk, vrijpostig en brutaal zijn, ook om af te komen van de verlegenheid die iedereen op het platteland opliep. Alleen dan werd je gehoord. We hadden immers bevrijdingswerk te doen, ter verbetering van een doodlopend vak en ten bate van onszelf – in die volgorde. Dat het in werkelijkheid als gevolg van niet geheel ongezonde narcistische aandriften precies omgekeerd was, konden en wilden wij niet zien. Het ging ten slotte om de zaak, een zekere lompheid was geoorloofd, werd als het ware verordonneerd. Zo, als een gevecht tegen de kwelgeest van de collaboratie, laat ook het leven van Joost Zwagerman, dat zich in de biografie laat lezen als een roman, zich begrijpen. Hij leek geregeerd te worden door twee naturen: een min of meer erfelijke kleinsteedse, en een aangeleerde grootstedelijke. Het is alsof de ene Joost denkt ‘ben ik wel geliefd genoeg’, terwijl de andere zich afvraagt of hij zich wel voldoende een klootzak heeft betoond. De ene is onderhorig aan zijn reflexmatige gevoel van welbevinden en aan zijn verlangen naar een veilig burgerbestaan; de ander dient zijn vrijmaking en verovering van de buitenwereld. Tussen die twee contrapunten speelt zijn bestaan zich af; hij zal ze nooit harmonieus weten te verenigen. Het is het drama met slechte afloop dat in de biografie wordt beschreven en dat uiteraard ook allerlei andere oorzaken heeft, zoals depressies, overspannenheid en oververmoeidheid van het altijd maar haantje de voorste willen zijn. Frans Smits in de jaren tachtig. foto familiearchief Ina Smits Joost beseft al heel vroeg dat hij, om de gewoonheid achter zich te laten en zijn onzekerheid te bevechten, een eigen wereld moet scheppen waar niemand bij kan komen en waar hij de baas is. Dat doet hij in zijn zogeheten Zwagergids, een knip-en plakwerk-blad dat hij op zijn kamertje in elkaar knutselt. Hij neemt er als opgroeiende jongen bekende Nederlanders de maat, zoals Joost den Draaijer, die in de jaren zestig ongekend populair is dankzij de eerste Top 40 die hij vanaf het piratenschip Veronica met veel toeters en bellen ten gehore brengt. En zo zal Zwagerman – jong geleerd, oud gedaan – zich blijven presenteren, als iemand die of zelf een tegenwereld schept of er toegang tot heeft. Eenmaal in Amsterdam slaagt hij erin door de juiste mensen gezien te worden, in de juiste alternatieve tenten waar ‘het’ gebeurt, zoals de Roxy. Hij publiceert in De Volkskrant de beginselverklaring van de zelfbenoemde nieuwe dichters, de Maximalen, en degradeert de bestaande poëzie tot dode rijmelarij van oude plagiërende heren. Hij schrijft zijn romans over het Amsterdamse kunstenaars- en vrijbuiterswereldje dat volledig door zichzelf is geobsedeerd en dat talloze jongeren betovert die ook zo zouden willen leven. En wordt waar het hem om begonnen was, en waarover hij in de provincie al droomde: de schrijver, en misschien zelfs de stem van zijn generatie – heel even kan hij zich zelfs laven aan de uitroeping door Harry Mulisch tot zijn opvolger, totdat deze dat voorrecht ook verleende aan A.F.Th. Van der Heijden. Zwagerman kwam, zag en overwon. Missie geslaagd zou je zeggen. Maar ondertussen blijft de provincie trekken, blijft hij zijn vrienden (en vriendinnen) in Alkmaar en Bergen bezoeken om bij te komen van zijn eigen glorie en druktemakerij, alsof hij op de vlucht is voor de eigenschappen die hem op de top van de literaire apenrots brachten: zijn bravoure en niet-aflatende bijna obsessionele behoefte aan bevestiging. Joost Zwagerman. foto Keke Keukelaar Bij ons, afgestudeerd of bijna afgestudeerd in de geschiedenis of een aanverwant vak, ging het om de pikorde in de geschiedschrijving. Maar wie waren wij eigenlijk om te denken dat wij de muren van de academische hiërarchie wel even zouden slechten? Waar haalden we de arrogantie vandaan om met een onooglijk blaadje onszelf tot de scherprechters en het middelpunt van het vak uit te roepen – want om dat tijdschrift, het Historisch Nieuwsblad, ons instrument van zelfvergroting en hyperkritiek, gaat het hier. Geen van ons had een baan of was werkzaam in de historische wetenschap – behalve één onzer die klusjes deed in een eerbiedwaardig instituut. We waren niemand en kwamen uit niemandsland. Onze achtergrond, kortom, scheen onze kansen niet te bevorderen. En toch was het juist onze komaf die het groepje provincialen dat wij waren voorbeschikte voor een sprong voorwaarts die alle aardappelschilwijsheden van tante Lies scheen te tarten. Onze hoogmoed was ons voertuig en die hadden we opgelopen in de provincie. Alleen door extreme overdrijving, zichtbaarheid en brutaliteit kon je het lot van de anonimiteit ontlopen dat Gods kerk en het platteland eendrachtig voor je in petto hadden (we waren allemaal opgegroeid in hiërarchische gelovige tijden). Wie zich compromitteerde was verloren, wie compromisloos was, had een kans. Je kon eraan ten ondergaan of het werd je way out. Wim, opgegroeid in De Bilt, met een tuinman als vader die geschiedenisboeken las als de Hitler-biografie van Alan Bullock, was de meest gematigde onder ons. Hij had zogezegd last van aanvallen van redelijkheid. Hij was degene die in het historische bedrijf werkte en die ons tevergeefs tot de orde trachtte te roepen wanneer hij, zoals wij het noemden, ‘signalen uit het kantoorcomplex van de geschiedbeambten’ had opgevangen. Geboren onder de rook van Utrecht leek hij het minst behept met de provinciale erfenis van existentiële hooghartigheid. Ter compensatie van zijn redelijkheid bezat hij, zo bleek al snel, een primitief intellectualisme en een onkreukbare radicaliteit die hem heel geschikt maakten voor onze onderneming. Gerard, zoon van een kolenboer uit Dirkshorn, ademde het West-Friese platteland. Als sociologiestudent bij de zeergeleerde hoogleraar Goudsblom, de knapste kop van de Amsterdamse sociale wetenschappen, was hij er tot zijn eigen verbazing aan ontsnapt. Een gebeurtenis die ter plaatse al was voorbereid, waar hij zich met zijn lange haar en als drummer van een rockband (Kraaijeveld) met een kleine hit, de daverende stamper Mona Lisa, onderscheidde van de boerenzonen. Gerard was onze stille kracht. Zijn goedkeuring, met een zelfbewuste hoofdknik afgestaan, was het teken waarop wij elke vergadering wachtten voordat we tot daden overgingen. Hij was voor ons wat Charlie Watts was voor de Stones, als Charlie zei dat het goed was dan was het goed. Tot zijn schrik zou hij veel later, door het lezen van de biografie van Maria Vlaar, ontdekken dat zijn eigendunk bedenkelijk veel leek op die van zijn streekgenoot Zwagerman, en ook uit dezelfde bron kwam. Ik had me vanuit de Achterhoek naar de hoofdstad gekatapulteerd omdat ik meer wilde dan mijn streek mij kon geven Ik was misschien wel het meest activistische en tegelijkertijd meest reddeloze lid van ons gezelschap. Ik had mezelf vanuit de Achterhoek naar de hoofdstad gekatapulteerd omdat ik meer wilde dan mijn streek mij kon geven, en genoeg had van de benauwenis van de toen nog maoïstische SP waarvan ik plaatselijk opperhoofd was en die een tijdlang mijn werktuig van zelfbevrijding was geweest. En daar zat ik dan: misdienaar in mijn geboortedorp, zelfbenoemde beroepsrevolutionair in het Oosterse stadje Doesburg en helemaal niemand in Amsterdam. Bang op de fiets voor de tramrails, schuchter in het café waar je niet, zoals ik gewend was, ‘iedereen’ ontmoette, en op straat speurend naar bekenden die er niet waren. De geschiedenis moest mij redden en diende zich aan in de persoon van Frans die onze bende van vier completeerde. Veel meer nog dan wij allemaal, en vermoedelijk nog meer onthand dan ik in de grote stad, was hij getekend door het stempel van de provincie, in zijn geval het Limburgse dorpje Pey-Echt. Zijn vader was er als directeur van een bankfiliaal een kleine dorpsnotabel, en alles in de zoon straalde verzet uit tegen het zelfgenoegzame milieu van thuis. Dat protest had ter plekke een slapend bestaan geleden, alsof hij in ‘innere Emigration’ was gegaan. Alleen zijn lange sluike haardracht scheen te verwijzen naar zijn afkeer. In Amsterdam had hij, althans naar dorpse normen, een verschijning van zichzelf gemaakt. In zwarte broek, zwart leren jasje en met zorgvuldig geverfd zwart punkhaar en oorbel in gaf zijn uiterlijk de boodschap af die hij niet gewend was hardop te zeggen: hier ben ik. Tegelijkertijd, en typerend voor zijn gereserveerdheid tegenover alles en iedereen, moest die overdadige anti-uitdossing anderen op afstand houden. Frans was grootstedeling en niet langer de Limburgse Fransje – want zo werd hij genoemd, zoals is te lezen in een prachtig portret dat zijn voormalige leraar Nederlands Cyrille Offermans schreef in zijn boek Een iets beschuttere plek misschien. Omslag Historisch Nieuwsblad Al bij onze eerste ontmoeting herkende ik die te lang verstopte gretigheid onmiddellijk. Hier was iemand zijn jarenlange niet-bestaan aan het compenseren. Hier was iemand die net als ik het adagium van de 18de eeuwse filosoof George Berkeley, ‘zijn is waargenomen worden’, heel persoonlijk opvatte. Met hem erbij kon onze oorlog tegen het historische establishment niet slecht aflopen. Hij zou durven, omdat hij zijn paniek en zijn angst voor anderen, machtig of onmachtig, moest uitwissen. Hij had geen keus, hij kon niet anders. Frans Smits (1958-2017) zou ondanks zijn aanvechtingen van timiditeit onze Joost worden. Zijn zinnen uit het nulnummer van ons blad konden als het ware concurreren met de woorden uit diens Maximale manifest. De geschiedwetenschap, schreef Frans in 1991, is ‘mat, wereldvreemd en krachteloos’. Er was sprake van ‘immobiliteit, verstarring, bureaucratisering en gigantische overproductie en specialisatie’. Het was niet onwaar, maar achteraf gezien allemaal behoorlijk aangedikt – maar goed, de boel moest nu eenmaal opgeschud. En wij zouden, onze provinciale ervaring indachtig dat je alleen met overdrijving en opvallen ergens kwam, blijven schudden aan de boom van de historisch academische wereld. Met als ludiek bedoelde verkiezingen van de ‘machtigste historicus’, waar de winnaar dan heel prat op ging. Met onderzoeken naar ‘de meest productieve historicus’, die leidden tot bezorgde gesprekken bij koffieautomaten over de rangschikking. Dat het ons ging om de dolgedraaide publicatiedwang en -machinerie aan te tonen, zoals Frans, de bedenker van het onderzoek, het zei, ontging de academische goegemeente grotendeels. Om Nederland en zijn geschiedschrijvers te waarschuwen voor het toenemend gebrek aan historische kennis hielden we een proefwerk geschiedenis onder Tweede Kamerleden, die gemiddeld een 4+ haalden, en van wie sommigen dachten dat Willem van Oranje in 1600-zoveel bij Dokkum was vermoord. En uiteraard bleven we hameren in stukjes en artikelen, veelal door Frans geschreven, op de waanzin van onleesbare pretentieuze studies. Intussen ging hij er uitzien als een te grote genieter van het goede leven uit een gemiddeld Limburgs dorp Wij verdwenen, Frans bleef. Hij zou van het blad en van zichzelf een autoriteit maken – ook hier valt een zekere gelijkenis met Joost op, die na zijn wilde periode het eenmansinstituut Zwagerman werd. Het Historisch Nieuwsblad kreeg aanzien en lezers, en dankzij allerhande nevenactiviteiten, zoals de Libris Geschiedenis Prijs, een serieuze status. Ondertussen zat Frans aan tafel bij de happy few van het wereldje en stond hij vaak voldaan – maar altijd ook met een even ongemakkelijke als cynische blik – met de professoren op de foto. Zoals zijn vader zich eens had bewogen onder de voornamen van het dorp begaf hij zich onder de groten van de geschiedschrijving. Intussen ging hij er uitzien als het absolute tegendeel van de broodmagere punkachtige jongeman die hij was geweest, als een te grote genieter van het goede leven uit een gemiddeld Limburgs dorp. Hij liep ook altijd lichtjes achterover geheld om te voorkomen dat zijn omvangrijke buik zijn lichaam zou laten beantwoorden aan de wetten van de zwaartekracht. ‘Zelden had ik iemand gezien wiens uiterlijk in een toch betrekkelijk korte tijd zo drastisch was veranderd’, schrijft Cyrille Offermans. De laatste keer dat ik Frans zag was hij overleden. Ik was op verzoek van zijn vrouw opgeroepen door de politie na hem jaren nauwelijks te hebben gezien. Hij lag dood op bed. Op een paar meter afstand stond op een tafeltje een zo goed als lege fles sterke drank, whiskey of cognac – sukkel, dat je de drank hebt laten winnen, fluisterde ik zachtjes in mezelf. Toen ik hem zag liggen, opgeblazen, rond en met het formaat van een dorpsnotabel, had ik maar één gedachte: heeft de provincie hem toch nog ingehaald. Of beter gezegd, had de provincie hem, de stedelijke rebel, alsnog weten te overmeesteren, sluipend, op haar tenen. Zijn spoken heeft hij, vrees ik, meegenomen in het graf.
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!