Na bijna twintig jaar pakte schrijfster GAEA SCHOETERS opnieuw haar motor voor een trip door Pakistan en omstreken. Exclusief voor Zout schreef ze haar ervaringen op. ‘In 2007 lag hier nergens zand; nu worstelen we ons moeizaam door woestijnachtige landschappen.’ Reizen is een privilege, daarvan ben ik me maar al te zeer bewust — voor de meeste mensen in de wereld is voor je plezier ergens anders heengaan gewoon geen optie. Net zoals een Europees paspoort deuren opent die voor...
wie minder geluk had in de geboorteloterij gewoon gesloten blijven. En dat we hier bij ons als vrouw min of meer gelijke rechten hebben, in elk geval wettelijk, is ook lang niet overal ter wereld zo — op veel plaatsen maken vrouwen nauwelijks deel uit van het openbare leven. We weten al die dingen, maar ze aan den lijve ondervinden is nog net iets anders. Geldt overigens ook voor de klimaatcrisis, die toch net iets bedreigender aanvoelt als de gevolgen letterlijk op je kop dreigen te vallen. Maar: we reizen om te leren, zelfs als het harde lessen zijn. Op weg naar een weggespoeld dorp bij Ishkoman in het noorden van Pakistan In 2007 reed ik samen met fotografe Trui Hanoulle zeven maanden met de motor door negen moslimlanden: van België door Turkije en Iran naar Centraal-Azië, en dan zuidwaarts, tot in Jemen. Gedreven door nieuwsgierigheid. Want in het nieuws zagen we vooral beelden over extremisme, onderdrukte vrouwen en terreuraanslagen – maar was dat echt de dagelijkse realiteit? De reis veranderde me voor altijd, of toch mijn manier van kijken. Ik herinner me nog precies wat ik antwoordde, bij onze thuiskomst, op de vraag wat ik het liefste wou: ‘Meteen weer vertrekken!’ Toch duurde het tot 2025 voor dat er weer van kwam: als je niet oplet, haalt de ratrace je verrassend snel in. De bestemming was niet moeilijk te kiezen. Op die eerste reis hadden we Pakistan overgeslagen, maar ik was er van blijven dromen. Twintig jaar lang. Geen wonder dat de legendarische Karakoram Highway een centrale plaats innam in het nieuwe plan; ook Trui wou weten hoe dat land geëvolueerd was sinds zij er 25 jaar eerder voor het laatst doorheen reisde. Johanna en ik wilden eigenlijk vanuit Duitsland naar Nepal rijden, maar tussen droom en daad stonden geopolitieke spanningen in de weg: Rusland is niet ideaal voor wie ooit een perskaart had, Iran lag in de clinch met Israël en de landsgrenzen van Azerbeidzjan blokkeerden de route over de Kaspische Zee. Uiteindelijk beslisten we onze motoren te verschepen naar Bishkek, de hoofdstad van Kirgizië, en van daaruit naar Kathmandu te rijden; Trui zou naar Pakistan vliegen en ons met een huurmotor tegemoet komen aan de grensovergang met China. Al bij de landing in Bishkek wordt duidelijk dat de tijd hier niet heeft stilgestaan: de stad is één grote bouwwerf. Sinds de oorlog in Oekraïne zijn veel Russen hierheen uitgeweken, want Russisch is hier nog steeds een officiële taal. Tegelijkertijd werken veel Kirgizische mannen een tijdlang in Rusland, waar veel werk is nu de mannen aan het front zitten. Kortom: de Kirgizische economie bloeit, net als het toerisme. Het valt ons op als we langs de zuidkant van het Issyk Kul meer reizen: tien jaar geleden was dit nog onontgonnen gebied. Nu rijgen zich de vakantieparken aaneen, kilometerslang. De politieagent die onze papieren komt checken, lacht: ‘Ik zing ook. Ik ben bariton. Duetje?’ Het plan was vanuit Bishkek over de Tosor Pas zuidwaarts te reizen, maar de douane beslist anders: bij het uitklaren van onze motoren krijgen we te horen dat we vóór we het land verlaten opnieuw moeten langskomen om de correcte papieren op te halen. Dat brengt onze planning in de war, maar er is weinig aan te doen, met de ambtenarij valt hier niet te discussiëren. Dus zetten we koers naar Barskoon, om daar op het hoogplateau te acclimatiseren voor de bergen die straks op ons wachten. De weg die naar de Kumtor-goudmijn voert – goud is Kirgizië’s voornaamste exportproduct — is adembenemend mooi. De Barskoonpas (3860m) is meteen ook een eerste hoogtetest voor onze kleine Honda’s; die doen het gelukkig, want de Khunjerab Pas, waar we straks Trui treffen, is met zijn 4693 meter een flink stuk hoger. Ook Johanna heeft duidelijk lucht genoeg en zet boven vrolijk een aria in, onder het motto ‘hoge noten op hoge passen’. De politieagent die onze papieren komt checken, lacht: ‘Ik zing ook. Ik ben bariton. Duetje?’ Gaea Schoeters in een yurt bij Tash Rabat, Kirgizië Geheel vlekkeloos verloopt de eerste week niet. Op een heftige steenpassage op de Tosorpas verbrand ik mijn koppelingsplaten; een wisselstuk vinden is hier niet evident. Terug naar Bishkek dan maar. Onderweg verliest Johanna, op een van de eindeloze wasbordpistes bij de wegenwerken, de helft van haar nummerplaat. Op een traject van veertig kilometer grind en modder is dat zoeken naar een speld in een hooiberg, maar we hebben geluk: na een uurtje heen- en weer rijden vinden we ze zowaar terug. En Krzysztof, een vriendelijke Pool die hier offroad tours organiseert, bezorgt ons zowaar nieuwe koppelingsplaten. We kunnen richting China. Althans, dat denken we. Want de douane stelt haar computersysteem om en kan geen documenten afleveren. Vijf dagen lang houden ze ons aan het lijntje, om ons dan te vertellen dat we alleen onder escorte naar de grens mogen rijden, en binnen 48 uur het land moeten verlaten. Onmogelijk, want in China, waar we verplicht met gids moeten reizen, kunnen we pas over 72 uur aankomen. Maar ook deze patstelling lost zich op: met wat onderhandelen wordt het onmogelijke verrassend snel mogelijk. Over de Torugart rijden we richting China, via een van de klassieke zijderoutes. Van het oude Kashgar, ooit een wereldberoemde pleisterplek van karavanen, is niets meer over. Alle internationaal protest ten spijt hebben de Chinezen de oude stad tussen 2003 en 2009 systematisch vernietigd, te beginnen met de oude moskee, en zo hun greep op de Oeigoerse minderheid versterkt. Op de ruïnes is een filmset-achtige replica gebouwd, waar vooral lokale toeristen zich nu laten fotograferen in traditionele lokale kostuums. Ook de rest van het Chinese deel van de Karakoram Highway, de legendarische G314, wordt streng gecontroleerd; onze bewegingsvrijheid is zo goed als nul. Na een laatste stop in Tashkorgan krijgen we voor de finale 100 kilometer tot aan de grens, een segment waarop onze gids ons niet mag begeleiden, zelfs een bodycam opgespeld, met de strenge instructie: ‘Niet stoppen, geen foto’s maken.’ Als ik toch stop om een extra trui aan te doen, omdat de temperatuur tussen 2000 en 4500 meter aardig daalt, begint het ding in het Chinees tegen me te roepen. Gelukkig is het onthaal in Pakistan heel wat vriendelijker… De mensen spreken ons erover aan. Dat het nog nooit zo warm was. Dat er nog nooit zoveel aardverschuivingen waren. Dat een wolkbreuk een dorp wegveegde Met een brede glimlach begroet de soldaat bovenop de pas ons: ‘Welcome to Pakistan, my friends!’ Het is een zin die we de komende weken nog honderden keren zullen horen: hier zijn ze bijzonder blij met het toenemende toerisme. Zeker dit jaar, nu het conflict in Kasjmir de internationale reisgroepen heeft afgeschrikt en de overstromingen op het zuidelijke gedeelte van de Karakoram Highway de lokale toeristen de doorgang versperren. We zijn hier zo goed als alleen. Meer nog, we hebben de weg voor ons alleen, omdat demonstranten al wekenlang alle vrachtverkeer blokkeren. Vanop de pas tot in Passu zien we niemand: alleen onze drie kleine motoren suizen tussen de donkerpaarse bergwanden door, die links en rechts steil naast ons oprijzen. Naast ons raast een inktzwarte rivier naar beneden: zoiets heb ik nog nooit gezien. Het is even prachtig als beangstigend. Niet ten onrechte: de kleur van het water is een gevolg van de smeltende gletsjers, die massa’s puin met zich meesleuren. Bovendien vormen zich overal gletsjermeren, die, als de natuurlijke dammen breken, ineens van de berg afdonderen: de flash floods spoelen hele dorpen weg. We ondervinden het van nabij in Passu, waar rotsblokken zo groot als vrachtwagens dagenlang alle verkeer blokkeren en de modderstroom in een halve seconde twee restaurants wegveegt. De klimaatcrisis is hier ineens heel erg tastbaar, en onderwerp van elk gesprek. Aan het benzinestation, op café en op straat: telkens weer spreken mensen ons erover aan. Dat het nog nooit zo warm was. Dat er nog nooit zoveel aardverschuivingen waren. Dat een wolkbreuk een dorp wegveegde. Overal worden bomen aangeplant, in de hoop het tij te keren, maar tegelijkertijd wordt er gezucht over de industrialisering in China en India. Waarna wij er beschaamd op wijzen dat de oorzaak van de klimaatverandering in de eerste plaats in het westen te zoeken is, al komen de gevolgen duidelijk vooral hier aan. Anita leidt hier allerlei vrouwenprojecten, onder het motto: ‘Trouw later, studeer langer’; zelf is ze op haar dertiende uitgehuwelijkt Vijf weken lang reizen we door Noord-Pakistan, een even indrukwekkend als prachtig gebied, van Passu via Gilgit naar Skardu, over de Deosai Plains, langs legendarische bergen als de Mascherbrum en de Nanga Parbat. De meerderheid van de bevolking hier is Ismaïli, een progressieve Sjiitische tak van de islam. Vrouwen hebben hier merkelijk meer rechten, en onderwijs voor meisjes wordt sterk aangemoedigd — al blijven veel vrouwen vooralsnog thuis als ze eenmaal kinderen hebben, vertelt Anita ons. Zij leidt hier al jaren allerlei vrouwenprojecten, onder het motto: ‘Trouw later, studeer langer’; zelf is ze op haar dertiende uitgehuwelijkt. Die tijden zijn hier in het noorden gelukkig voorbij, en steeds meer vrouwen werken ook buitenshuis. Toch zien we ze weinig in het straatbeeld, zeker zodra we wat meer naar het zuiden rijden. Het hele openbare leven, winkels, cafés, restaurants, banken, de post, dit hele land is één grote ‘men only’-omgeving. Toch voelt het veilig aan: als we bij een van de talloze checkpoints weer eens thee aangeboden krijgen en bij gebrek aan stoelen met de soldaten op hun bed een sigaret roken, iets wat ik in pakweg Rusland of Italië nooit zou doen, hangt er niets van spanning in de lucht. Altijd weer die vriendelijke hoffelijkheid. Welcome to Pakistan. Truckstop op weg naar Skardu, Pakistan Tegelijkertijd zijn we ons er zeer van bewust dat de vrijheid die wij hier hebben een gevolg is van het feit dat wij westerse vrouwen zijn. Steeds weer worden we aangesproken door vrouwen die ons zeggen hoe geweldig ze het vinden dat we niet getrouwd zijn, geen kinderen hebben, vrij en alleen kunnen reizen. Het enthousiasme in hun stem verraadt dat deze keuzes voor hen geen optie zijn. Omdat, zelfs als ze een progressieve man hebben, de tradities hier nog te sterk zijn. Te dwingend. Het contrast is nog groter aan de andere kant van de grens — daar lonkt Afghanistan. Trui en ik droomden er in 2007 al van, en het land is nu weer bereisbaar: de Taliban doen er alles aan om het toeristen zo veilig en comfortabel mogelijk te maken. Steeds weer ontmoeten we reizigers die er doorheen gereden zijn. Meestal mannen, maar af en toe ook vrouwen, en zelfs vrouwen alleen. Het maakt deel uit van een charmeoffensief dat het regime moet helpen legitimeren, en de Taliban in het Westen een betere reputatie moet bezorgen: dankzij hen is het land eindelijk weer veilig en stabiel. Dat daarbij de helft van de bevolking onzichtbaar en monddood wordt gemaakt, en zelfs letterlijk haar stem niet meer mag laten horen, verdwijnt tussen de plooien van de burka’s. We worstelen met het dilemma: als we wegblijven, verdwijnt daarmee het laatste beeld van een vrouw die zich vrij in het straatbeeld beweegt. Maar willen we een deel zijn van de propagandamachine van zo’n regime? En willen we het land inreizen op het moment dat Iran en Pakistan duizenden vluchtelingen met geweld over de grens zetten? Een aardbeving bij Peshawar maakt een eind aan onze twijfels: met de motor een land binnenrijden waar vrouwen zelfs niet naar het ziekenhuis gebracht worden omdat ze niet behandeld mogen worden door mannelijke artsen, willen we niet. Ook al zouden wij wel een arts vinden, als er iets fout gaat. Nog geen maand later sluit de grens weer, na een aanslag, en intussen dreigt een open oorlog — het kansvenster heeft zich weer gesloten. Krantenverkoper in Gilgit, Pakistan Het is niet de enige grens die gesloten is: Pakistan verlaten blijkt moeilijker dan gedacht. De grenzen met Indië en Iran zitten potdicht, en de demonstranten hebben nu ook de enige grensovergang met China geblokkeerd. Plots werkt ons paspoortprivilege, waar we zo aan gewend zijn, niet meer: westers paspoort of niet, we kunnen het land niet uit. Wat voor veel mensen buiten Europa dagelijkse realiteit is, geldt nu ook voor ons — een confronterende ervaring. Al is ze voor ons van korte duur. Na een paar dagen wachten belt de politieagent, die we in Sost hebben leren kennen, ons uit bed: ‘Opstaan en hierheen komen, nu. De grens gaat open, maar niet langer dan een paar uur.’ Een halve dag later staan we weer in China; achter ons gaat het hek weer voor weken dicht. Wij rijden via Tadzjikistan terug richting Bishkek. Ook hier, op de Pamir Highway, is de klimaatverandering duidelijk voelbaar: toen Trui en ik hier in 2007 waren, lag hier nergens zand; nu worstelen we ons moeizaam door woestijnachtige landschappen, doorsneden door met potholes bezaaide wegen. De enorme Chinese trucks, die het asfalt aan brokken hebben gereden, kruipen nu als grote rupsen aan vijf kilometer per uur door het zand ernaast, gehuld in wolken stof. Maar het landschap is nog even adembenemend mooi als vroeger. Even desolaat, even stil. De overlanders van vroeger zijn er nog wel, maar veel vaker treffen we instagrammers en influencers Al heeft zelfs hier de tijd niet stilgestaan. We kruisen best veel andere reizigers, en die zijn lang niet allemaal even sympathiek. Velen verwachten een soort van comfort dat hier niet voorhanden is, of zijn hier alleen voor de coole offroad-routes. De overlanders van vroeger zijn er nog wel, maar veel vaker treffen we Instagrammers en influencers, voor wie dit land een decor is waartegen zich het avontuur van hun leven afspeelt. Hun camera is op henzelf gericht, niet op de ander, en in gesprekken aan tafel gaat het vooral over wat zij hebben gedaan. Maar ook aan de andere kant heeft de komst van het internet de interesse doen dalen: waar wij in 2007 nog een waardevolle bron van informatie waren, reizigers uit een ver land die een inkijk boden in een onbekende wereld, kijken ook de lokale tieners nu enkel nog op hun smartphone. Die hen een beeld van het westen voorschotelen dat even fake is als de instagram-accounts van de bloggers om ons heen. Het is een evolutie die niet tegen te houden is, net als het leger Chinese wegarbeiders dat nieuwe wegen aanlegt — de zijderoutes van morgen, die een eindeloze stroom goedkope consumptiegoederen westwaarts voert. Lokale toeristen in Kashgar, China Wij vluchten de MELS Pas op; de naam verwijst naar Marx, Engels, Lenin en Stalin. Schimmen uit een ver verleden, want beneden, in de vallei, zijn Chinese bulldozers in de weer om de smalle piste te verbreden tot een tweebaansweg — nog even, en ook hier dendert de moderne tijd de berg op. Maar nog is het hierboven stil. Eindeloos strekt het landschap zich onder ons uit, leeg en mooi. In de verte glijden groepen donkere stipjes over de bergflanken: herders brengen hun kuddes naar beneden voor de winter. Straks botsen de tijdsvakken hier op elkaar als tektonische platen. Met alle voor- en nadelen van dien. Maar nog niet. Nog heel even niet. Net zoals ook wij nog heel even niet terugkeren naar de ratrace, die ons, of we dat willen of niet, weer genadeloos zal opslokken. Gaea Schoeters (Sint-Niklaas, 1976) schrijft boeken (non-fictie en fictie) en libretto’s voor opera en muziektheater. Haar roman Trofee werd in 21 landen vertaald, de opvolger Het geschenk in tien landen.
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!