Poëzie moet eer gevoeld dan begrepen worden, zei Paul van Ostaijen. Dichter en micro-activiste Emilie Dewitte kiest voor beide. Haar bundel De stolling is een eregalerij voor de stemlozen in een verharde, onrechtvaardige wereld. ANNEMARIE STAAKS zocht haar op. ‘Elk gedicht komt binnen als een aangespoeld jongetje op het strand.’ Op een paar stappen lopen van boekhandel Limerick in Gent, waar de honderdzestig typemachines van W.F. Hermans staan uitgestald, woont Emilie Dewitte. Enthousiast: ‘Ik presenteerde mijn bundel daar. Toen ik...
mijn jas in de achterkamer ophing, zag ik ze staan. Ongelooflijk, een verborgen schatkamer!’ Nadat haar gedichten op sociale media werden opgepikt en via via bij een uitgever terechtkwamen, debuteerde Dewitte in 2022 met de autobiografische bundel Werk. Dit jaar verscheen De stolling, waarin ze zich op onrecht in de buitenwereld richt. Een ‘empathisch breekijzer’, zo vermeldt de flaptekst. Dat er bezoek uit Nederland komt voor een interview, verrast de 35-jarige Vlaamse, ze is nog wat onwennig met haar status als dichter. ‘Ik vind dat bijna te pretentieus, maar na het uitbrengen van twee bundels durf ik mezelf wel zo te noemen.’ Wellicht kleeft die bescheidenheid aan haar wortels in de West-Vlaamse klei, de nuchtere en taaie aarde die haar vormde. Emilie Dewitte (1991) groeide op in Bissegem, bij Kortrijk, een dorp dat ze ontvluchtte om na een ‘rusteloze odyssee’ te kunnen worden wie ze nu is. ‘De omgeving waarin ik opgroeide, was vrij conservatief. Daar moest ik me van vrijvechten.’ Afkomstig uit een niet-artistiek milieu, ‘waar mensen een leven lang één job doen, work, eat, sleep, repeat’, kostte het enige moeite om haar eigen puzzel te leggen. Ze vertelt erover in haar Gentse stadstuintje waar hier en daar een vergeten groente probeert te groeien. Vanuit de keuken zwaait haar Syrische vriend Ali. Emilie Dewitte: ‘Als het binnen uw macht ligt, doe het.’ foto Marleen Daniëls Na haar studies in Leuven en Brussel werkte Dewitte drie jaar in Oeganda. ‘Eenmaal terug in België kon ik me niet meer verhouden tot de maatschappij hier, waar de focus sterk ligt op productiviteit en het individu. Ik vroeg me af wat mijn plek was en waar ik energie van kreeg. Ik had uiteenlopende banen, van consultant tot docent Frans in de gevangenis. Ook kwam ik in de biologische akkerbouw terecht en dat beviel me ergens wel, dat werken met de handen in de grond. In die zoekende periode begon ik ook opnieuw gedichten te schrijven en daar kwam later het grafische werk bij.’ Inmiddels woont ze in Gent waar ze haar poëzie en grafische kunst combineert met seizoenswerk op een door vrouwen gerunde biologische coöperatieve boerderij en een baan als ambtenaar bij inburgering en integratie. Het openingsgedicht van De stolling voert direct terug naar haar roots. Vrijgevochten of niet, geboortegrond laat zich moeilijk afwassen, lezen we in Proloog: Je kan het luik dichtgooien maar niet tegelijk je vingers sparen, dus ik wacht Thematisch gezien leidt dit gedicht over haar oma de bundel mooi in: Bij wet was ze een tijdlang onbekwaam. Daar hebben we het nooit over. Ze schakelt vlot, kon eerder dan ik online betalen. Zo werkt de wet van de remmende voorsprong: wie iets ontnomen werd, kan met wraakzuchtige kracht plots generaties inhalen. De stolling leest als een geëngageerde, activistische dichtbundel. Net als haar oma moeten de personages vechten tegen ongelijke machtsverhoudingen. In tegenstelling tot haar oma verbeelden ze echter vaak een verloren strijd. Van bootvluchtelingen en verwaarloosde jongeren tot eenzame ouderen, maar ook vervuilde wateren en uitgeputte gronden: ze krijgen allemaal een gezicht en een stem. In haar gedichten maakt Dewitte ruimte voor situaties en mensen die ze ontmoet, in haar werk, op straat of in de actualiteit. Ze schetst ze liefdevol en intiem, als een eregalerij voor worstelende individuen die ten onder zijn gegaan of dreigen te gaan in een allesverslindend systeem. Zo’n jongen die niemand stoort. Trainingsboek de kleur van pleister, (…) Bij de inkom liggen zijn betaalherinneringen, de stapelend schuld waar men behoedzaam overheen stapt. Elk gedicht komt binnen als een aangespoeld jongetje op het strand. We kunnen veel weten over misstanden in de wereld, maar nieuws raakt pas als het een menselijk gezicht krijgt. Precies dat voelen is waar het Dewitte om te doen is, en waar ook de titel van de bundel naar verwijst. De gedichten roepen een beeld op van een harde wereld, maar zijn tegelijk een oproep om niet te stollen, niet te verharden, maar empathisch te blijven. ‘Er zijn zoveel situaties waarin de menselijke waarde wordt aangetast. Neem de gevangenis. In de krant staat dan: Vernietigend jaarverslag gevangenis Gent. 350 grondslapers. Dat raakt niet. Ik wil het dichterbij laten komen. Het gaat wel om mensen. Wie zal mijn opvangen, (…) de geveinsde dood, stijf, een uit de kom geschoten lijf. De mat ligt er niet voor niets, zegt de leraar. Vaak duikt ze even onder het mysterieuze oppervlak om dan weer boven te komen voor een ontnuchterende boodschap. Ze wil zich uitspreken, en tegelijkertijd ruimte laten voor de verbeelding en de schoonheid. ‘Het begint met een zinnetje, een ritme, een metafoor. Daarna ga ik zitten en werk ik als een beeldhouwer tot elk woord precies goed staat.’ Haar elegante taal staat de verontwaardiging in haar poëzie niet in de weg. ‘Erover schrijven voelt goed, van moeilijke emoties en misstanden iets moois te maken. In poëzie kun je verzachten. Iets wat gestold is, kan immers ook weer smelten.’ Elke kool die je afsnijdt, laat vallen, dreunt als een oerhart dat klopt tot alles van het veld is, naar de keukens gaat, ‘Niets geeft een sterkere verbinding met de aarde dan met je handen wroeten in de grond’ De poëzie, het werk op de boerderij, het bestrijden van onrecht, zowel met haar hart en hoofd als met haar handen, voor Dewitte grijpt het op organische wijze in elkaar. ‘Deze combinatie komt voort uit mijn zoektocht naar een zinvol leven, passend bij mijn waarden. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot plekken waar mensen worden vergeten. We zijn allemaal met elkaar verbonden en met de natuur. Niets geeft een sterkere verbinding met de aarde dan met je handen wroeten in de grond. Als je zo naast elkaar aan het wieden bent, ontstaan vanzelf gesprekken met mensen buiten je ‘bubbel’. Veel van mijn vrienden zijn vluchtelingen. Als je je verbindt met mensen die het ergste is overkomen, kun je toch niet anders dan je talent inzetten? Ik luister momenteel naar een podcast van Alicja Gescinska, de auteur van Vrouwen in duistere tijden, waarin zij wijst op onze verantwoordelijkheid. Ze zegt: als het binnen uw macht ligt, doe het.’ Een korte stilte. ‘Er is veel nodig, maar dit is wat ik kan bijdragen.’ Een activiste vindt ze een groot woord. ‘Dan zou ik moediger moeten zijn.’ En haar talent? De bijdrage waar ze het net over had? Vooruit dan: ‘een micro-activiste’. en de geur van inkt zal blijven dreigen. Op de barricaden met de poëzie. Het stemt weemoedig en hoopvol, doet denken aan vervlogen tijden toen gedichten nog tot rellen konden leiden; tegelijkertijd zijn protestgedichten weer helemaal terug. Dewitte sluit aan bij een groeiende groep jongeren die zich in poëzie uitspreekt over eigentijdse thema’s als genderongelijkheid, discriminatie en klimaatverandering. Het wemelt van de literaire initiatieven en collectieven die met woorden strijden. Of Dewitte ook deel uitmaakt van een activistische poëziescene? ‘Goh, ik voel me nog niet echt onderdeel van een ‘scene’ geloof ik.’ Ze denkt even na. ‘Je hebt wel De Kloofdichters en De Klimaatdichters, met onder andere Ruth Lasters, die ik zeer bewonder en die een heuse klassenstrijd voert. Misschien moet ik eens contact zoeken.’ Dan: ‘Het is natuurlijk goed om krachten te bundelen. Door sociale media is poëzie zichtbaarder geworden en bereikt ze ook mensen die zelf geen bundel zouden kopen.’ Een week na het interview stuurt ze een bericht. ‘Ik heb me aangesloten bij de Klimaatdichters!’ Daaronder een aanvulling over de maatschappelijke relevantie van poëzie: ‘Onlangs heb ik Waterland gecontacteerd omdat ik een gedicht had geschreven over het recht op proper zwemwater. Ik heb het voorgedragen op hun algemene vergadering en ze deelden het gedicht uit aan de coöperanten. Een ander gedicht van mij werd onlangs op een groot bord geschreven bij The Big Jump in het dorpje Betekom, waar mensen in de Demer sprongen als actie voor zuiver water. Ook Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns nam een duik en moet het bord met het gedicht gezien hebben. Dat vind ik geweldig: dat poëzie op zulke evenementen een plek krijgt en beleidsmakers bereikt.’ De geur van inkt zal blijven dreigen? ‘Ik hoop het. Soms vraag ik me af of ik wel genoeg doe. Er moet veel gebeuren, maar als we allemaal doen wat in onze macht ligt, zoals Gescinska zegt, dan ben ik hoopvol. Blijf je uitspreken en verbind je met de ander. Laten we niet stollen.’
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent.
Klik hier als u abonnee wil worden - voor 6,60 euro per maand ontvangt u het kunst- en cultuurmagazine voor het Zuiden. Sluit u nu aan!