Fiona Lutjenhuis groeide op in een sekte die geloofde dat de mensheid zou worden gered door buitenaardse wezens. Zij brak met haar ouders, maar in haar werk keren de verhalen en symbolen van vroeger terug. EDO DIJKSTERHUIS zocht haar op. ‘Dat soort dingen doen we hier niet.’ Pas op haar 22ste realiseerde Fiona Lutjenhuis zich dat haar jeugd niet helemaal normaal was verlopen. Ze deed onderzoek naar groeperingen als Heaven’s Gate en de Branch Davidians, allebei geëindigd in massale (zelf)moorden....
Ze herkende de beschrijvingen van die gesloten gemeenschappen, hun machtsstructuren en de surrealistische positie die het geloof innam in het dagelijks leven. Intussen is ze 34 en succesvol kunstenaar. Haar schilderijen, met fantasiedieren en mysterieuze rituelen in arcadische landschappen, zijn gewild bij particuliere verzamelaars en musea. Ze heeft tentoonstellingen in binnen- en buitenland, werd genomineerd voor de Prix de Rome en won de NN Art Award. Toen het besef van haar radicaal afwijkende achtergrond indaalde, zat ze op de kunstacademie. Ze had bewust gekozen voor ArtEZ Arnhem, buiten de Randstedelijke spotlights. Terwijl voor de meeste studenten de academietijd een periode is van soul searching, zelfonderzoek en autobiografisch werk hield Lutjenhuis haar privéleven juist buiten de leslokalen. Thuis tekende ze haar verleden van zich af in strips. ‘Toen ik zo’n strip een keer meenam naar school, zei de docent: dat soort dingen doen we hier niet, hoor’, vertelt ze in haar Amsterdamse atelier. Misschien betrof die afwijzing de vorm. Misschien waren de afbeeldingen te afwijkend om te bevatten. De leefwereld die Lutjenhuis op papier zette, het universum van haar vormende jaren, ligt ver verwijderd van het doorzonbestaan waarin de meesten van ons opgroeien. Fiona Lutjenhuis (Zevenaar, 1991) verhuisde op jonge leeftijd naar Oost-Brabant. Haar vader, een boomlange man met een liefde voor flauwe woordgrappen, was opgeleid als bouwkundige maar had eigenlijk theologie willen studeren. Haar moeder schilderde, maar vond geen aansluiting bij het reguliere kunstcircuit en liet zich meeslepen door de spirituele zoektocht van haar echtgenoot. Die bracht het gezin in Zijtaart, een gehucht in de buurt van Veghel, waar het hoofdkwartier is van de Malva-sekte, een geloofsgemeenschap met zo’n vijftig leden. ‘We leefden afwisselend in het verleden of in de toekomst, maar zelden in het heden’ De leer van Malva is een wonderlijke mix van sciencefiction, esoterie en revisionistische geschiedschrijving met een apocalyptische ondertoon. ‘De leider van de groep was geïnspireerd door de pseudowetenschappelijke boeken van Erich von Däniken’, vertelt Lutjenhuis. ‘Die schreef de bouw van de piramiden en de Nazcalijnen op de Peruaanse hoogvlakte toeg aan buitenaardse wezens. Ons kinderen werd verteld dat we in een vorig leven van Neptunus of Pluto kwamen. Het ging ook vaak over telepathie, het oude Egypte en Atlantis. En over het leven op aarde dat heel binnenkort teneinde zou komen, maar dat we dan door aliens gered zouden worden. Door de leerstof leefden we afwisselend in het verleden of in de toekomst, maar zelden in het heden.’ De Malva-sekte is geen commune, de leden komen ieder weekend samen. Lutjenhuis herinnert zich de zalvende, hypnotiserende stem van de leider, die dan urenlang kon oreren. ‘Ik heb er nog opnames van, ik gebruik ze om te analyseren wat er allemaal in ons hoofd werd gepompt. Het is een woordensoep, waarin hij zichzelf voortdurend tegenspreekt en argumenten verdraait. Die toespraken werden opgenomen op bandjes die voor veel geld aan leden werden verkocht, net als andere merchandise. Spirituele verlossing was niet goedkoop.’ Haar moeder draaide thuis de hele dag door de tapes van de leider, een bijna niet te ontlopen vorm van hersenspoeling; het huishoudgeld ging op aan religieuze parafernalia. Haar vader had zijn baan opgezegd om zich volledig aan de sekte te wijden. Er was nergens geld voor, op vakantie ging het gezin nooit. ‘Ik had op jonge leeftijd al een krantenwijk’, vertelt Lutjenhuis, die het gevoel heeft zonder ouders te zijn opgegroeid. ‘Met het geld kon ik het busabonnement betalen zodat ik naar de school van mijn keuze kon gaan. Toen vond ik het heel stom dat ik moest werken voor mijn geld, maar nu ben ik blij met het arbeidsethos dat ik eraan over heb gehouden.’ Fiona Lutjenhuis: ‘Vogels zijn mijn lievelingsdieren, ze lijken op buitenaardse wezens.’ foto Roger Cremers Wat ze er ook aan overhield: een buitensporige angst voor geesten, die in de leer van de leider een grote rol speelden. ‘Als kind was ik er banger voor dan voor aliens. Ik probeerde er grip op te krijgen door ze te tekenen, als doorschijnende personen. Dat deed ik met alle informatie. Ik had een vol hoofd en het moest eruit. Ik maakte schilderijen en tekeningen, maar ook maquettes – door mijn vaders werk, denk ik.’ Dat ze makkelijk vriendjes maakte, was haar redding, denkt ze. ‘De bezoekjes aan andere huishoudens waren een soort reality check. Als ik daar vertelde hoe het bij ons thuis was, merkte ik dat andere ouders daarvan schrokken of het niet begrepen. Dus hield ik al snel mijn mond. Ik heb gelukkig nog twee zussen met wie ik heel close ben en met wie ik alles kon en nog steeds kan delen. Zij hadden lange tijd ook niet door hoe afwijkend ons gezin was, maar toen ik ze vertelde over de Waco-documentaire over de Branch Davidians begon er ook bij hen iets te dagen.’ Op haar 16de verliet ze het ouderlijk huis, het ging relatief eenvoudig. Het emotioneel losmaken van jarenlange indoctrinatie bleek een stuk lastiger. ‘Het verleden is als klittenband, maar ik besefte dat ik daarvoor volledig onafhankelijk moest worden van mijn ouders. Op mijn 25ste heb ik alle contact verbroken.’ Haar jeugd is traumatiserend genoeg om de rest van je leven in therapie te belanden. Lutjenhuis kanaliseerde haar verleden in haar kunst. ‘Zou ik kunstenaar zijn geworden zonder deze jeugd?’ vraagt zij zich hardop af. Het duurde tot het laatste jaar van de kunstacademie dat ze iemand tegenkwam die haar en haar werk begreep. Docent Gijs Frieling, zelf op latere leeftijd bekeerd tot het katholicisme, maakt religieus geïnspireerde muurschilderingen. ‘Door hem voelde ik me gezien. Hij stelde zich niet op als therapeut maar was gewoon nieuwsgierig.’ Tijdens haar twee jaar als resident aan de Rijksakademie in Amsterdam verdiepte ze haar thematiek en haar beeldtaal, en experimenteerde erop los in de hout- en metaalwerkplaats. Ze maakte stop-motionfilms en bakte brood bij wijze van performance. ‘Heel divers en behoorlijk analoog’, typeert ze haar oeuvre. ‘De fotografielessen op de academie vond ik vanwege de techniek verschrikkelijk.’ Schilderen vormt de hoofdmoot van haar werk, uitsluitend op panelen. ‘Canvas werkt niet lekker bij mij. Misschien heeft het te maken met de zolder vol schilderijen van mijn moeder, die niemand ooit zag, zo treurig. Ik schilder ook graag op meubelstukken. Dan wordt het kunstwerk onderdeel van een gebruiksvoorwerp, een stuk minder sacraal. Aan de andere kant heeft ambachtelijk meubelmaken weer religieuze connotaties, denk aan de Shaker Chairs van de Mennonieten.’ Fiona Lutjenhuis, Individuals. foto Jonathan de Waart Het werk van Lutjenhuis, die op jonge leeftijd onder de indruk raakte van de miniaturen van de gebroeders Van Lymborch, zitten vol symboliek. Rottend fruit staat voor sterfelijkheid en brood voor geborgenheid. Vogels spelen vaak een belangrijke rol, net als vogelhuisjes. ‘Vogels zijn mijn lievelingsdieren, ze lijken op buitenaardse wezens’, verklaart de kunstenaar. Mensen komen zelden voor, en al helemaal niet als direct herkenbare personen. ‘Ik gebruik soms poppen om een situatie te ensceneren. Maar als het gaat lijken op bestaande figuren komt het me te dichtbij.’ Als ze niet aan het schilderen, zagen, lassen of tekenen is, zit ze te studeren. Haar onderzoeksdrang resulteert in wat ze zelf ‘tijdelijke obsessies’ noemt. ‘Zo heb ik me een tijdlang verdiept in paddenstoelen. Die staan voor mij voor reïncarnatie, maar ook voor hekserij en hallucinatie. Ik heb stapels boeken gelezen, paddenstoelen in het bos gefotografeerd en bij vrienden met een tuindersbedrijf heb ik uren in de kassen gezeten om mycelium te bestuderen. Ik wil weten hoe iets groeit en eruitziet, en ga net zo lang door totdat ik het uit mijn hoofd kan schilderen.’ Toewijding is een belangrijk begrip voor haar, ze zegt ‘betekenis te scheppen door te maken’. Ze heeft haar werk graag om zich heen, maar uitsluitend in haar atelier. ‘Mijn woonkamer is minimalistisch ingericht’, zegt ze. ‘Ik hanteer een strikte scheiding tussen werk en privé. Ik heb zelfs geen tangetje in de keukenla liggen. Als er iets gerepareerd moet worden, ga ik naar het atelier.’ Thuis is haar oplaadstation, even weg van de stroom beelden in haar hoofd die veel concentratie vraagt. ‘Ik doe alles maar één keer, ik kan niet nog een keer het enthousiasme opbrengen.’ Bang dat de inspiratie ooit opdroogt, is zij niet. ‘Die bron voelt onuitputtelijk. En ik ben eigenlijk wel benieuwd. Stel dat ik op een gegeven moment klaar ben met de verhalen van mijn jeugd, wat komt er dan? En wie zou ik dan zijn?’
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!