Wille was een punker. In 1993, onderweg naar huis, moest hij twee treinsporen kruisen. Over die vernieling heeft Wouter Thijssen een plaat gemaakt, Broer. De eerste single van dat album is voor Wille. De muziek, voelt AN OLAERTS, gaat door merg en been. ‘Kon ik maar terug bij je zijn.’ Niemand hoeft het plaatje te kennen. Het is geen hit. Nog steeds niet. Stijn Meuris pikte Wille eind vorig jaar op in zijn radioprogramma op Willy. Tussen muziek van Lola Young...
en The Triffids kondigde hij Wouter Thijssen aan met iets heel moois. ‘Sterke single, heel gek en heel nieuw uit Hasselt, een eerbetoon aan zijn overleden broer Wille.’ Hij draaide het uit, tot aan het verborgen spoortje. Op het einde van de single hoor je Wille zelf krijsen, recht uit 1987, tegen de maatschappij, tegen onrecht, tegen vader Thijssen en zijn strapatsen, wie zal het zeggen. Wille was bekend in de punkscene, maar ook thuis viel er wat te schreeuwen. Tot hij op een winternacht in 1993 voorgoed zweeg. Hoe je zoiets als jongere broer overleeft, dat hoor je op het plaatje. Wouter Thijssen begint met een waarschuwing. Hij wil geen sentimenten. Géén! Zijn verhaal moet ruggengraat hebben, rechtop blijven staan, zoals de muziek over zijn oudere broer, en de tijd waarin hij nog wel leefde. ‘Ik ben geen arme sloeber die wat zielige liedjes uit zijn miserie heeft gedestilleerd’, zegt hij. ‘Ik maak muziek uit noodzaak. De rest is slechte muziek. Om een potje te zeuren ga ik beter naar een psycholoog. Ik hou weliswaar niet van het woord, maar ik ben het toch: gelukkig. Het leven is heftig, maar ik lijd er niet aan. Ik kan lachen met mijn ellende. Maar met wat drama ben ik op mijn best. Je kent mij. Ik ben altijd de man van de grote melodieën geweest.’ Hij lacht. Wouter Thijssen: ‘Ik heb mijn moeder altijd gelukkig willen maken. Iemand moest het toch doen?’ foto Fred De Brock Ik ken Wouter Thijssen inderdaad al lang. Hij was de tengere jongen met de opvallende ogen, achterin de aula. Hij zei niet veel. Niks eigenlijk. Geen mens wist dat zijn broer verongelukt was, laat staan zo recent. Na onze studies ging ik hem soms opzoeken bij hem thuis in Hasselt. Eén keer maakte zijn vader de voordeur open. Hij deed niks, en al zeker niks verkeerds, maar ik schrok toch van de dreiging die hij uitstraalde. Op een avond, ik weet nog aan welke cafétafel, hebben we het over hem gehad – pa sloeg soms, ja, vroeger, daarna nooit meer. ‘Ik ga hem niet afschilderen als een monster. Hij had veel gebreken en ik wilde nergens met hem gezien worden, maar soms deed hij zijn best om er toch nog wat van te maken. Het beste wat ik kan doen, is de dubbelzinnigheid toelaten.’ Het verklaart waarom Broer onder spanning staat. De plaat zit vol tegenstellingen: liefde, de vernieling ervan en opnieuw liefde. Het is hoe Thijssen aan de bitterheid ontsnapt. Heet zoiets niet loutering? ‘Ik ben veel met mijn verleden bezig geweest. Niemand weet wat een kind nooit vergeet. Maar wat heb je aan dertig jaar wrok koesteren? Ik heb jarenlang niet tegen mijn vader gepraat. ‘Papa’ zeggen was uitgesloten. Maar op het eind was hij een eenzame man. Er bleef niets van hem over. Ik hield toch van hem.’ Pagina’s uit de agenda van Wille Echte punkers janken niet. Ze schreeuwen voor altijd, ook als ze dood zijn. In 1987 had de zestienjarige Wilfried Thijssen een punkgroep. Unnecessary Violence repeteerde in de garage van de drummer, in Kuringen, een niemandsland van bermgras en verveling tussen de autostrade en de sporen. Op één cassette staat de stem van Wille. Het is lang geleden. Het heeft tijd gekost om zoveel geweld en kwetsbaarheid samen door een meezinger te jagen. Maar soms lukt het om met muziek alles te overspannen wat voorbij is, wie het heeft overleefd en wat andere mensen daaraan hebben. ‘Muziek is altijd munitie geweest waarmee we ons konden wapenen. Wille en ik waren al op jonge leeftijd into kabaal. Als we naar de Sarma gingen, smeekten we moeke om de nieuwe Motörhead. De grote refreinen van heavy metal raakten ons. We waren te jong om ons te laten troosten door de gladde synthesizers van de jaren 80. Mijn broer en ik hielden van Kiss, AC/DC en Iron Maiden. Onrustwekkende herrie was het, maar mijn moeder is nooit ergens tegen ingegaan. Ze was een lieve, zorgzame vrouw die niet wilde dat haar kinderen iets tekortkwamen. We kregen die platen. Mijn vader begreep er niks van.’ ’s Nachts haalde hij soms uit. Niemand sliep. Mama huilde en Wille was een fort voor zijn kleine broer. Wouter Thijssen schuilde in zijn armen. Ik herinner me dat mijn moeder thuis wilde vertrekken. Met twee kleine headbangertjes op de achterbank reed ze naar haar zus in Wintershoven. Mijn vader slaagde er altijd in om haar terug thuis te krijgen. De riffs zijn kwaad, het slagwerk is koppig en de gitaren stormen over alles heen. Maar de melodieën voor Wille blijven hemeltergend Wouter Thijssen heeft eerder platen uitgebracht, ook met donkere nederrock. Bovendien speelt hij gitaar bij The Smiths Presumably, een van de bekendste tributebands voor Morrissey, ook geen vrolijke tralala. Maar nooit eerder waren zijn nummers zo onverholen persoonlijk. Op Broer eet Thijssen de scherven op van zijn jeugd. Het verdriet is verteerd. Het huis aan de noodlottige spoorweg werd verkocht. De herinneringen zijn allemaal gesorteerd. De muziek laat horen dat het klaar is. Voor wie goed wil luisteren, serveert Thijssen troost met mokerslagen. De riffs zijn kwaad, het slagwerk is koppig en de gitaren stormen over alles heen. Maar de melodieën voor Wille blijven hemeltergend, telkens met die ene hopeloze wens: ‘Kon ik maar terug bij je zijn.’ Onder het muzikale eerbetoon klopt een litteken van gemis en tederheid. Het past bij de verschijning van de zanger/muzikant. De blauwe ogen van Thijssen roepen als vanzelf een zachte gevoeligheid op. Maar ze verdragen geen medelijden. In twee tellen zie je zijn blik onverbiddelijk worden. ‘Ik wil niks met tranen’, zegt hij met een stelligheid waarvoor je alleen maar opzij kunt. Hij heeft genoeg geweld gezien, om er nooit meer bang voor te zijn. ‘Toen Wille oud genoeg was, hoefde mijn vader niets meer te proberen. Je zou het misschien niet zeggen, maar ik heb ook teruggeslagen.’ Diep in Haspengouw ligt een graf met de herinnering aan een gezin van vier. Wouter Thijssen heeft iedereen overleefd. Het ouderlijke huis heeft hij in zijn eentje leeggemaakt. Zijn ouders zijn overleden. Zijn lieve moeder viel in 2017 stommelings van de trap en stierf aan de verwikkelingen. Vader overleed in 2023, een week nadat hij naar een zorgcentrum was verhuisd. Twee broertjes werden niet ouder dan een paar dagen. ‘Arnoud en Wouter’, zegt Thijssen. ‘Ik ben Wouter 2.0. Ik mijn heb mijn moeder altijd gelukkig willen maken. Iemand moest het toch doen?’ Want in de winter van 1993 fietste Wilfried, 21 jaar en punker, naar huis. Hij was afgekickt, opgelapt in een psychiatrische instelling en probeerde hoop te houden. Die avond had hij véél gedronken in Café De Munt op het Dusartplein in Hasselt. Onderweg naar huis moest hij over de dubbele rails van lijn 35 heen. ‘Het waren halve slagbomen, maar ze waren dicht. Wille stak over toen de staart van de trein voorbij was’, aldus Thijssen. ‘Maar op het tweede spoor kwam een trein uit de andere richting. Die heeft het voorste wiel van zijn fiets geraakt. Hij is tientallen meters weggekatapulteerd. Ik heb het verslag van de NMBS thuis gelezen. Wille was inderdaad getroebleerd toen hij stierf, maar hij heeft geen zelfmoord gepleegd. Toen ze hem vonden, leefde hij nog. In het ziekenhuis viel het woord hersenbeschadiging. Een week later zijn ze me uit de klas komen halen. Het was februari. Ik zat in het laatste middelbaar. Ik wist natuurlijk meteen waarom. Wille was dood. Ze hadden de machines uitgeschakeld.’ Midden in het eerbetoon voor Wille zit een cesuur. Het gedram van de gitaren vertraagt om plaats te maken voor tragiek. De dood van Wille was zonde, niks anders dan verspilling van tederheid. Maar niet veel later is het strijdvaardige ritme terug. Wilfried Thijssen was nog maar net overleden, of daar trokken de leugens al door de straat. Op den duur geloofde niemand nog dat het een treinongeluk was. ‘Wij waren de misfits van de buurt. En mijn broer was uitschot’, zegt Thijssen. Wille was een lastpost, een punker. Hij was 14 toen ze hem voor het eerst van school trapten. Er stonden combi’s voor de deur. De BOB tapte de telefoon af. Kankerwelvaart, bekte Wille. Met zelfgekopieerde flyers ronselde hij non-stop medestanders voor betogingen, tegen Shell, tegen bont, apartheid, racisme en voor mijnwerkers. Het ongenoegen was eindeloos. Op de deur van zijn slaapkamer sjabloneerde hij een vuist en een machinegeweer. ‘Wille werd extreemlinks. Ik geloof wel dat hij het op zeker moment legitiem vond om geweld te gebruiken voor zijn idealen.’ In een afgedankte agenda uit 1985 staan middelvingers, hanenkammen en slogans. Anarchie! Fuck the system! “In een dwangbuis van eenzaamheid heb ik het verdriet opgeraapt, ingeslikt uitgebraakt.” Wille schreef schoolschriftjes vol, maakte punkzines met Pritt, een typemachine en een kopieerapparaat. ‘Je zou het misschien niet zeggen, maar ik heb ook teruggeslagen’ Verder waren er ook swastika’s onder bruggen, met strepen erdoorheen. Nie wieder Faschismus. Wille spoot, terwijl zijn broertje op uitkijk stond. ‘En ik bewaar je geheim’, zingt die dertig jaar later, ‘zolang ik maar dicht bij je kan zijn.’ Wouter was een klein broertje dat de wacht hield en moest zwijgen. ‘Er was zoveel dat ik niet mocht vertellen. Wat ze deden, wat ze namen. Ik was een piske. Het lag niet in mijn natuur, maar ik voelde me stoer en bevoorrecht, omdat Wille me in vertrouwen nam.’ Wouter Thijssen is nooit een punker geweest, te klein, te lief, te veel fantasie. ‘In plaats van een imaginair vriendje had ik een band met liedjes in mijn hoofd. Geen haar op mijn hoofd dat dacht dat ik ooit écht muziek ging maken. Ik was niet in staat om er zelfs maar van te dromen. Het zat niet in de familie. We woonden in Kuringen!’ ‘Wille kreeg trouwens genoeg van het machismo van metalmuziek en de electrifying riffs. Ik kick er nog altijd op’, lacht hij. ‘Voor Wille hoefde die virtuositeit niet. Hij koos voor extreme hardcorepunk. Ik herinner me nog hoe hij de Italiaanse anarchopunks van I Deny in Hasselt had gekregen. Dat schorremorrie zat thuis in de zetel. Mijn moeder heeft zelfs nog eten voor ze klaargemaakt. Spaghetti. (lacht) Wille maakte er een verslag van voor het punkpamflet Censuur.’ Censuur kostte tien frank. Tussen het antifascistisch front, krantenknipsels over demonstraties en misselijkmakende kantoorluchten, reclame voor Neurorock (Omdat we klein maar verschrikkelijk zijn) staat de naam van zijn kleine broer. De typemachine heeft schaduwen in het papier geslagen, ze zijn mee gekopieerd. d a n k a a n : w o u t e r ( k e). Het was beter anders gelopen, maar niet alles is voor niets geweest. Het album Broer verschijnt op 17.03 bij Thorn In My Side Recordings. De releaseshow van Broer is op 02.04 in Café Café in Hasselt. cafecafe.be
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!