Koen Broucke wilde niet nog een keer een krant dichtklappen en doorlopen. De oorlogszucht in Oekraïne, Soedan en het Midden-Oosten vroegen om een antwoord, een langdurig gebaar. YVONNE COX volgde een half jaar lang de totstandkoming van zijn meesterproef: Mijn Guernica. Zijn diepe hoest echoot tegen de muren. Voorovergebogen, in een gevlekte stofjas, staat Koen Broucke bij een over de helft van de ruimte uitgestrekt doek. In zijn hand een met een bamboestok verlengde kwast, een aanwijsstok met verf. Hij...
wijkt achteruit, komt weer dichterbij, klimt op een trapladder voor het overzicht. Soms hurkt hij neer, of ligt half over het doek om een detail aan te punten. In de refter van de Sint-Baafsabdij, waar benedictijnen eeuwenlang hun maal nuttigden, ruikt het naar verf en vocht. Tegen de muren grafstenen, eeuwen aan devotie en verval staan in steen gegrift. Boven het uitgestrekte linnen met ernaast, opgesteld in strakke rijen, tubes, potten en kwasten hangt een Christus die, zou hij kunnen kijken, zou zien hoe onder hem een hedendaagse processie van schimmen ontstaat. Buiten gloeit de verwilderde tuin naast de abdij rood, dezelfde kleur als die van de kleine lage deurtjes van de kloostergang, dezelfde kleur als de klimplanten her en der tegen de gevel. Het is vorig jaar oktober, voor het eerst kijk ik over de schouders van Koen Broucke (Sint-Amandsberg, 1965) mee hoe hij tot stand komt, zijn meesterproef Mijn Guernica. Hij vertelt over de zwerver die in de abdij had geslapen, naast zijn werk misschien wel; een raadsel hoe de man was binnengekomen. Duiven landen op de balken en kijken roekend toe. Hij hoopt vooral dat ze hun sporen niet al te nadrukkelijk achterlaten op zijn werk in uitvoering. Ook nu komen de kracht van mens en natuur weer samen in zijn werk. De openheid was geen bijzaak. Hij wil betrokkenheid. Hij wil dat mensen niet alleen het eindresultaat zien, maar ook de aarzeling, de correcties, de twijfel Er wordt gezegd dat je een oorlog nooit goed kunt verbeelden. Alsof taal en verf tekortschieten tegenover de werkelijkheid van geweld. Alsof elk beeld per definitie tekortdoet aan wat mensen elkaar aandoen. Maar dan is er Guernica van Picasso, dat gigantische schilderij uit 1937 dat beroemder werd dan de Baskische stad zelf. De stier, het paard, de schreeuwende moeder met haar dode kind. Velen van ons moeten opzoeken wat er precies gebeurde, toen. Zeggen dat oorlog niet verbeeld kan worden, is te gemakkelijk. Het kan wel. Broucke vindt dat ook. Hij wilde niet langer wegkijken. Niet nog een keer een krant dichtklappen en doorlopen. De toegenomen oorlogszucht, de beelden uit Gaza, Oekraïne, Iran, het Midden-Oosten. De rokende steden, de vele doden, raketten die in koepels worden onderschept – ze vroegen om tijd en aandacht. Geen snelle reactie, maar een langdurig gebaar. ‘Doden worden altijd gedragen’, zegt hij. ‘Daar begint het.’ Koen Broucke tijdens het schilderen van My Guernica. foto Marleen Daniëls In het logboek dat hij bijna elke dag bijhield, lees ik hoe hij op 25 augustus in de abdij het doek ontrolde en een eerste roodpaarse laag aanbracht, gevolgd door ongebrande sienna. Hij noteerde wie langskwam, met wie hij sprak, wat hij schilderde. Lucht en horizon eerst, wolken en vertes. Stralen licht. Hij besprak een filmidee terwijl hij verder werkte. Het atelier in de abdij was geen afgesloten bastion. Journalisten, vrienden, familie, toevallige bezoekers: wie wilde, mocht binnen. Het schilderproces was zichtbaar, bijna openbaar. Die openheid was geen bijzaak. Broucke wil betrokkenheid. Hij wil dat mensen niet alleen het eindresultaat zien, maar ook de aarzeling, de correcties, de twijfel. Schilderen is denken met verf, maar ook kijken met anderen. In september kwamen vrijwilligers naar de abdij, als figuranten. Ze wikkelden zich in witte doeken, liepen rond, droegen elkaar, omarmden elkaar. Levende lichamen die zich schikten in een ritueel van rouw en steun. Broucke maakte studies van hun houdingen, hun gebaren, de manier waarop een arm een schouder ondersteunde. Later zette hij ze over op het grote doek. Een van de deelnemers zal zich later niet terugvinden in het schilderij, en blijkt inderdaad vergeten. Broucke schildert ze er alsnog bij, klein maar aanwezig. Een ontroerend gebaar. Niemand mag onopgemerkt verdwijnen. Zelfs op doek wordt recht gedaan. De minutieus geschilderde bloemen hebben een tederheid die contrasteert met de dreiging in de lucht. De natuur is geen decor, maar tegenkracht Liggend op de vloer werkt hij aan de figuren. Pas wanneer hij een drone boven het doek laat cirkelen, ziet hij dat sommige lichamen te lang zijn. Het perspectief klopt niet. Tussen de figuren groeien planten: bijenorchis, hemelboom, teunisbloem, paardenbloem, varens, weegbree, een vetplant, later een wilde aardbei. Ze zijn minutieus geschilderd, met een tederheid die contrasteert met de dreiging in de lucht. De natuur is geen decor, maar tegenkracht. Ze herinnert eraan dat leven zich niet laat uitroeien. En dan is er de stier. Het paard. Onder lagen verf schemeren ze door, als echo’s van Picasso’s beeldtaal. Ik zie ze meekijken naar het tafereel, een geheugenlaag in het schilderij. Aan de rand verschijnt een figuur in harnas, met zwaard: Dulle Griet, ontleend aan Pieter Brueghel de Oude in wiens 16e-eeuwse schilderij ze de hel binnenstormt. De waanzin van de oorlog krijgt een Vlaams gezicht. Broucke plaatst haar aan de kant. Eind oktober rolt Broucke het doek op. Het wordt te koud en te donker in de abdij. De winter onderbreekt het proces. Op 4 februari wordt het werk opgespannen en rechtgezet in de Sint-Pietersabdij. Ik ben erbij wanneer het immense doek overeind komt. De opspanner, ervaren maar zichtbaar onder de indruk, manoeuvreert behoedzaam, centimeters maken het verschil. Er moet een strook sneuvelen waardoor Dulle Griet heel dicht bij de rand komt te staan, klaar om het hoekje om te gaan. Alsof de waanzin zich niet laat inkaderen. Koen Broucke aan het werk in de Sint-Baafsabdij in Gent. foto Marleen Daniëls Wanneer het doek, formaat 6,60 x 3,90 meter, hangt, verandert alles. Waar het eerst als een gewonde reus op de vloer lag, staat het nu fier rechtop. Hier staat iets te gebeuren, en dat is voelbaar. Bij de verdere uitwerking schakelt Broucke over op ragfijne penseeltjes. Geen grote gebaren meer, maar correcties in handen en gezichten, nuances in wolken, accenten op de omgekeerde stier en het paard. Hij scherpt torens aan, laat bloemen oplichten. Het is het stadium van de bijna onzichtbare ingrepen die het geheel zullen dragen. Mijn Guernica is het ijkpunt van de tentoonstelling De kunstenaar die detective wilde zijn, vanaf 2 april te zien in de Sint-Pietersabdij. Die titel is geen ironie. Broucke is schilder, maar ook historicus en doctor in de kunsten. In de tentoonstelling heropent hij de misdaadzaak uit 1934 rond de diefstal van het paneel De rechtvaardige rechters uit De aanbidding van het Lam Gods (1432) van Jan van Eyck. Portretten, documenten, etsen en schilderijen vormen een zoekplaat. Sporen leiden langs ruïnes, slagvelden en kastelen. Bij Broucke is kunst altijd speurwerk en Mijn Guernica in dit geval het onderzoek. In zijn expositie doet hij verslag door historisch onderzoek en reconstructie te combineren met een zoektocht naar romantische schoonheid. ‘Een onmogelijke combinatie’, zegt hij zelf. Picasso’s Guernica werd een universeel symbool tegen oorlog. Het verhaal is bekend: toen Duitse officieren de kunstenaar vroegen of híj dat sombere doek had gemaakt, antwoordde hij: ‘Nee, jullie.’ Het schilderij wees terug naar de daders. Ook Brouckes Mijn Guernica wijst, niet met een beschuldigende vinger, maar met vragen. Naar ons. Wat is echt? Wat is propaganda? Wat zien we, en wat willen we niet zien? In de tentoonstelling over De rechtvaardige rechters wordt rechtvaardigheid opgevoerd als een zoektocht, niet als vaststaand gegeven. De verbanden tussen het verdwenen paneel en Mijn Guernica zijn niet expliciet, maar voelbaar. Beide gaan over waarheid, over wie het verhaal mag schrijven. Koen Broucke, voorstudie bij Mijn Guernica, acryl en olie op doek, 60 x 100 cm. foto Koen Broucke Het schilderij is geen monochrome schreeuw geworden zoals bij Picasso. De lucht is geschilderd naar foto’s uit recente conflictgebieden. Wie lang kijkt, ziet raketsporen boven een stad, iets wat projectielen onderschept. Water stroomt via riviertjes naar voren. Torens rijzen op. Fossielen uit de abdijvloer duiken op in de verf. Het verleden ligt letterlijk onder het heden. Het motief van de pietà, het gedragen lichaam, keert terug: zelfs als alles is kapotgeschoten, zal er iemand zijn die je optilt. Je wordt gezien. Je wordt niet anoniem achtergelaten. In tijden waarin beelden van geweld eindeloos voorbijkomen en net zo snel weer verdwijnen, is dat een radicale gedachte. Wanneer ik het werk opnieuw bekijk, vlak voor de opening, hangt het nog tussen stellingen en ongeverfde muren. De olieverf glimt. De brede vegen in de lucht contrasteren met haartjesdunne penseelstreken in bloemen en gezichten. Ik ga zoeken. Van dichtbij. En neem de tijd. Wat zal het publiek straks als eerste zien? De planten? Dulle Griet? De schimmen in witte gewaden? Zullen ze de historische echo’s herkennen, of vooral de hedendaagse lucht? Misschien maakt het niet uit waar hun blik het eerst landt. Wat betekent het om een Guernica te schilderen? Is het de weigering om te zien dat geweld routine wordt en beelden hun kracht verliezen door herhaling? Dat het zaak is om te blijven kijken, te blijven dragen, te blijven schilderen? Een schilderij kan de wereld niet stoppen, wel vertragen. Het kan een ruimte scheppen waarin we niet wegkijken. Soms is dat al een daad van verzet. Koen Broucke, De kunstenaar die detective wilde zijn en Mijn Guernica. Tot 27.09 in de Sint-Pietersabdij in Gent. historischehuizen.stad.gent / koenbroucke.be
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!