Eind dit jaar gaan Martijn van Nieuwenhuyzen en Stijn Huijts, directeuren van De Pont en Bonnefanten, met pensioen. EDO DIJKSTERHUIS sprak met hen over de kracht van kunst, toegenomen bureaucratische rompslomp, afbraakrisico, blockbusters, de voorkeur voor solotentoonstellingen en wat ze echt niet zullen missen. De een wilde liever blijven, maar bij een publieke instelling moet je nu eenmaal weg als je 67 bent. De ander hoefde niet te vertrekken omdat hij voor een privémuseum werkt, maar voelde de ‘seven year...
itch’, en vindt het wel mooi geweest. Met het vertrek dit jaar van Stijn Huijts (Bonnefanten) en Martijn van Nieuwenhuyzen (De Pont) zwaait de Nederlandse kunstwereld twee doorgewinterde museumdirecteuren uit. Stijn Huijts (Heerlen, 1959) werd opgeleid tot beeldhouwer, studeerde daarna culturele studies in Amsterdam en werd cultuurambtenaar bij de gemeente Sittard. Die gaf hem de opdracht een kunstmuseum op te zetten: Het Domein – tegenwoordig De Domijnen. In 2004 was hij curator van de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Sao Paulo. Zijn volgende post was Heerlen, waar hij als directeur een onderscheidend urban art-programma ontwikkelde voor Schunck. Daarna werd het Maastricht waar hij van het Bonnefanten een ‘museum nieuwe stijl’ maakte: zowel laagdrempelig buurthuis als Nederlands premièrepodium voor internationale sterren als Kahlil Joseph en Małgorzata Mirga-Tas. Martijn van Nieuwenhuyzen: ‘Maatschappelijke aspecten aan bod laten komen via de kunst. Daar geloven we heilig in.’ foto’s Roger Cremers Martijn van Nieuwenhuyzen (Den Haag, 1958) werkte het grootste deel van zijn carrière bij het Stedelijk Museum Amsterdam, waar hij spraakmakende tentoonstellingen als Wild Walls (1995) en A Year At The Stedelijk: Tino Sehgal (2015) maakte. Hij gaf er leiding aan Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, de experimentele poot van het museum; in 2005 was hij curator van het Nederlandse paviljoen in de Biënnale van Venetië. In 2019 werd hij directeur van De Pont in Tilburg, waar hij zijn stempel drukte met tentoonstellingen van onder andere Ragnar Kjartansson (2022), Beatriz González (2025) en recentelijk Steve McQueen (2026). Een afscheidstentoonstelling is hét moment om nog eens te laten zien waar je voor staat. Hoe zien hun laatste presentaties eruit? Stijn Huijts: ‘Voor Cooking from the Fridge is een selectie gemaakt uit de ruim duizend kunstwerken die ik in dertig jaar tijd heb mogen aankopen voor de drie musea waar ik directeur ben geweest. De keuzes zijn gemaakt door 23 gastcuratoren met wie ik heb samengewerkt en van wie ik heb geleerd. Deze opzet is mede gemotiveerd door de actuele ontwikkelingen: energie en transport worden duurder en er is inflatie, dat voelen musea ook. De eigen collectie tonen, koken uit de ijskast, is duurzaam. Het hoeft niet van ver te komen om lekker te zijn.’ Martijn van Nieuwenhuyzen: ‘Wij koken dit najaar met uiteenlopende ingrediënten. Hoofdmoot is Het weten van de kleuren, een tentoonstelling van Sigmar Polke, die binnen de schilderkunst experimenteerde met de meest onorthodoxe materialen en in 1986 het Duitse paviljoen op de Biënnale van Venetië omvormde tot alchemistische oven. Daarnaast tonen we Matthew Monahan, van wie we een aantal werken hebben gekocht en die ter gelegenheid van mijn afscheid een grote schenking deed. En we presenteren drie videowerken van het Braziliaanse duo Wagner & De Burca, waaronder een nieuwe aanwinst. Eén klassiek moderne kunstenaar en twee hedendaagse praktijken dus, allemaal kunstenaars die sterk met mijn loopbaan verbonden zijn.’ Na deze tentoonstellingen zit het erop. Wat gaan jullie het meeste missen? Huijts: ‘Het werken met het team. Een museum is mensenwerk. Samen probeer je iets voor elkaar te krijgen, de publieke zaak verder te helpen. Dat is een bijzonder voorrecht.’ Van Nieuwenhuyzen: ‘Ik zal het moment missen waarop alles bij elkaar komt. Voor de opbouw van een tentoonstelling zijn er de bezoeken heen en weer, worden concepten uitgewerkt, maar dat is een papieren werkelijkheid. Het wordt pas spannend als het zich op zaal ontvouwt en het dan toch helemaal anders wordt. Op dat moment weet je: hiervoor zit ik in het vak.’ Wat gaan jullie het minste missen? Van Nieuwenhuyzen: ‘De stress. Een museum leiden is een opeenstapeling van deadlines. Het lijkt mij fijn om een andere tijdservaring te hebben. Ik ga geen tentoonstellingen meer maken, want mooier dan De Pont wordt het niet. Wel duik ik in mijn fotoarchief van meer dan 35 jaar.’ Huijts: ‘Er kan een institutionele zwaarte aan dingen kleven: aanvragen, regels, voorwaarden en verantwoordingen. Dat zit in de methodologie, het hoort erbij. Maar het is door de jaren heen wel veel erger geworden. Ik ben van plan tentoonstellingen te blijven maken, maar dan buiten de institutionele context.’ ‘Er dreigt opnieuw inhoudelijke eenvormigheid doordat musea aan een plaatje denken te moeten voldoen’ Wat zijn de grootste veranderingen die jullie gedurende je museumjaren hebben waargenomen? Van Nieuwenhuyzen: ‘Door de online revolutie is veel meer informatie beschikbaar. Je kunt alles veel beter voorbereiden. Toen Wim Beeren ooit een tentoonstelling wilde maken over de stand van zaken in de Russische kunst moesten hij en zijn team voor research wekenlang naar Rusland. Ikzelf ben me gaan toeleggen op Latijns-Amerika, maar kon veel voorwerk thuis doen, achter de computer. En als je er dan eenmaal bent, stap je in de Uber naar eerder gemaakte afspraken. Je komt zo veel sneller tot de kern.’ Huijts: ‘We zijn ideologisch in een stroomversnelling geraakt. Toen ik begon zag je overal hetzelfde. Ik was best verbaasd over de homogeniteit binnen kunstmusea: telkens dat beperkte aantal namen uit de westerse canon. Ik had in Sittard het geluk dat ik from scratch kon beginnen, zonder historische ballast en vanuit de positie van een outsider. Vanaf dat moment heb ik ingezet op het tonen van meerdere kunstgeschiedenissen. En met Made in Mirrors zijn we in 2006 een kleinschalig uitwisselingsprogramma begonnen op mondiale schaal. Dat was toen best nieuw.’ Van Nieuwenhuyzen: ‘In 1998 heb ik From the Corner of the Eye gemaakt: de eerste Europese mainstream tentoonstelling met een queer thema. Dat vond ik toen heel belangrijk, ook vanuit heel persoonlijke overwegingen, maar nu zie je het all over. Er dreigt gek genoeg opnieuw inhoudelijke eenvormigheid doordat musea aan een plaatje denken te moeten voldoen.’ ‘Kunst is niet politiek, maar gaat over het sociale, over hoe we met elkaar omgaan’ Huijts: ‘Je kunt ze zo aanwijzen, de tentoonstellingen die geforceerd op de agenda zijn gezet om te voldoen aan politieke verwachtingen. Het moet beginnen met de kunst en de kunstenaar. Veranderingen in sociaal opzicht, bijvoorbeeld de democratie die onder druk staat, zijn direct of indirect voelbaar in bepaalde oeuvres. Maar dat is heel subtiel, niet een boodschap verpakt in een kunstwerk. Kunst is mijns inziens ook niet politiek maar gaat over het sociale, over hoe we met elkaar omgaan.’ Van Nieuwenhuyzen: ‘Dat zie je ook in het werk van Steve McQueen. Zijn werk kent verschillende lagen en laat zich niet tot één thema reduceren. Het gaat over racisme, maar ook over de relatie met zijn vader, of het reflecteert op de filmgeschiedenis. Het is geen eenduidige boodschap. Je moet het ondergaan, niet alleen intellectueel maar ook visueel en intuïtief. Het gaat erom dat je een verrijkte werkelijkheidservaring krijgt. Dat is wat goede kunst doet. Niet het slaafs afvinken van een beleidsprogramma maar een bepaalde eigenwijsheid overeind proberen te houden.’ Werkt dat beter met solo’s dan met groepstentoonstellingen? Van Nieuwenhuyzen: ‘Persoonlijk heb ik een voorkeur voor solo’s. Dan kun je meer de diepte in. Ik heb helemaal niets tegen groepstentoonstellingen, maar ik heb er veel gezien waarin de kunst is gereduceerd tot illustratie van een thema. Dan wordt het een plat verhaal en wordt de kunst niet tot zingen gebracht.’ Huijts: ‘Groepstentoonstellingen zijn ook niet mijn ding. De één-op-één samenwerking met een kunstenaar levert het meeste op. Dan duik je echt in een universum.’ Behalve inhoudelijk is er sinds de beginjaren van Huijts en Van Nieuwenhuyzen ook veel veranderd in het economisch opereren van musea. Vrijwel alle grote instellingen zijn verzelfstandigd en het begrip ‘cultureel ondernemerschap’, waar in de jaren ’90 nog met afgrijzen op werd gereageerd, is standaardonderdeel geworden van beleidsplannen. Er zijn afdelingen development opgetuigd om donaties binnen te halen, en bezoekersaantallen worden nauwlettend in de gaten gehouden. Zeker met de sterk stijgende kosten voor transport, energie en personeel is de prestatiedruk flink opgelopen. ‘Blockbuster is een naar woord, met een kapitalistische bijsmaak’ In hoeverre moeten musea blockbusters aanbieden om overeind te blijven? Huijts: ‘Binnen het Bonnefanten is het gebruik van het woord ‘blockbuster’ verboden. Het is een naar woord, met een kapitalistische bijsmaak. Wij hebben het liever over publiekstrekkers. Want daar gaat het uiteindelijk om: het publiek, de impact die je hebt op hen en in hoeverre het lukt bezoekers te engageren.’ Van Nieuwenhuyzen: ‘Voor kleine instellingen zitten er vaak te veel kosten en risico’s aan het programmeren van blockbusters. Maar een groot museum heeft de opdracht een groot en breed publiek te bedienen, dan moet je soms wel. Het Anselm Kiefer-retrospectief van het Van Gogh Museum en het Stedelijk vind ik een prima voorbeeld van een publiekstrekker. Het toonde recente clusters uit Kiefers oeuvre samen met zijn vroege werk uit de Stedelijk-collectie. Dat bleek voor veel mensen een aantrekkelijke combinatie.’ Huijts: ‘Om de begroting rond te krijgen kun je ook radicaal kiezen voor marketing. Kijk naar MOCO (een particulier initiatief op het Amsterdamse Museumplein dat met voornamelijk street art veel toeristen trekt, ED). Inhoudelijk is het flinterdun, het is een en al branding, maar ze zijn succesvol.’ Stijn Huijts: ‘De eigen collectie tonen, koken uit de ijskast, is duurzaam. Het hoeft niet van ver te komen om lekker te zijn.’ Van Nieuwenhuyzen: ‘Ja, maar daarvoor zijn wij niet op aarde. Het Stedelijk heeft niet het marketingbudget van MOCO. Maar de nieuwe campagne van KesselsKramer is overigens wel een perfect antwoord op de communicatietaal van MOCO, met opvallende posters, te beginnen op Schiphol. Iedereen is noodgedwongen bezig met bezoekers en het is voor grote musea de opgave om de juiste toon te vinden, die werkt bij toeristen maar ook bij de reguliere museumbezoeker.’ Huijts: ‘Bij de drie provinciale musea in Limburg is in een paar jaar tijd een tekort van een paar ton ontstaan door gestegen prijzen, inflatie en het niet indexeren van overheidssteun. Wij hebben net een tweejarig traject met de provincie afgerond, die heel genereus heeft bijbetaald. Dat ging niet zonder slag of stoot, maar de gedeputeerde heeft zich er hard voor gemaakt. We zijn er nog niet helemaal, projectsubsidie voor losse projecten blijft nodig en de druk op de fondsen is enorm toegenomen. Maar we hebben in Limburg nu wel voor het eerst een eigen museumbeleid, waarin per kerntaak duidelijk is omschreven wat de toegevoegde maatschappelijke waarde is.’ Met een terugtrekkende overheid en een politiek discours dat kunst kwalificeert als linkse hobby lijkt het draagvlak voor publieke kunstinstellingen af te kalven. Hebben privémusea de toekomst? Van Nieuwenhuyzen: ‘Publieke musea zijn geen luxe, maar een teken van beschaving. Ze bewaren het collectieve geheugen van een samenleving. Het zou een armzalige ontwikkeling zijn wanneer we niet langer bereid zouden zijn de middelen op te brengen om onze eigen culturele geschiedenis te bewaren. Ik denk dat privémusea aanvullend zijn en dat private en publieke musea van elkaar kunnen leren.’ Huijts: ‘Ik was in 2014 bij een symposium waar ik hoorde over het endowment fund van het Metropolitan in New York, een fonds ter waarde van 2,8 miljard dollar. Dat is eind 19de eeuw opgezet met een eerste miljoen. Ik ben vijf jaar geleden iets bescheidener begonnen met 100 duizend euro. Daar gaan ze over honderd jaar misschien plezier van hebben in Maastricht. Het museum zal in ieder geval minder kwetsbaar zijn.’ Iets minder ver in de toekomst ligt de opvolging. Van Nieuwenhuyzen en Huijts zijn niet de enige museumdirecteuren die plaats maken, er zijn ongekend veel functies vacant, van Boijmans Van Beuningen in Rotterdam tot Museum Kranenburgh in Bergen. Tegelijkertijd lijkt het afbraakrisico voor museumdirecteuren groter dan ooit en zijn beschuldigingen van ‘een onveilige werkomgeving’ voor raden van toezicht genoeg om iemand de laan uit te sturen. Diezelfde raden van toezicht dringen vaak aan op een buitenlandse kandidaat, die soms snel weer doorhopt naar een volgende betrekking of wegens gebrek aan lokaal netwerk weinig voor elkaar krijgt. ‘Bij de benoeming van nieuwe directeuren komen raden van toezicht niet altijd goed beslagen ten ijs’ Van Nieuwenhuyzen: ‘Raden van Toezicht komen niet altijd goed beslagen ten ijs bij de benoeming van nieuwe directeuren. Te vaak zijn ze verblind door een internationale naam. Maar dat zijn vaak tentoonstellingsmakers en niet altijd museale leiders. Deel van het spel is ook kunnen omgaan met de dynamiek van een organisatie.’ Huijts: ‘Er stond onlangs een artikel in het FD over de governance bij cultuurinstellingen, getiteld: ‘Vogelvrij! Bestuurders bij musea en cultuurcentra voelen zich onveilig’. Dat museumdirecteuren zelf in een onveilige omgeving opereren, blijkt helaas vaak voor te komen.’ Van Nieuwenhuyzen: ‘Dat een directeur aan zijn lot wordt overgelaten is bijzonder kwalijk. Het is een opdracht aan toezichthouders om het gesprek met de directie open te houden.’ Huijts: ‘Het belangrijkste is dat je als raad van toezicht rolvast bent, zeker in moeilijke situaties. Dan moet je het hoofd koel houden en geen rare bokkesprongen maken.’ De opvolgers van Huijts en Van Nieuwenhuyzen zullen moeten navigeren in een veranderd maatschappelijk veld, waarbinnen ook andere dingen worden verwacht van musea. De International Council of Museums definieerde het museum een paar jaar geleden als ‘een permanente instelling in dienst van de gemeenschap’. Hoe zien jullie het ideale museum? Van Nieuwenhuyzen: ‘De Pont is mijn ideaal: een museum dat werkt vanuit de kunstenaar. Maatschappelijke aspecten aan bod laten komen via de kunst. Daar geloven we heilig in.’ Huijts: ‘Ook wij noemen ons een kunstenaarsmuseum. Maar het grote verschil is dat we een publieke instelling zijn, bekostigd met belastinggeld, en bezig moeten zijn met onze impact. Maar het uitgangspunt is en blijft altijd de kunst.’
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent.
Klik hier als u abonnee wil worden - voor 6,60 euro per maand ontvangt u het kunst- en cultuurmagazine voor het Zuiden. Sluit u nu aan!