Aan de musical, en eerder de tv-serie, over een Noord-Limburgse verzetsgroep in de laatste maanden van de Duitse bezetting ging het bijna vergeten boek De bospartizanen van Baarlo van Jan Derix vooraf. Zijn zoon GOVERT DERIX haalt herinneringen op. ‘Hände hoch, holländische Partisanen!’ Vannacht droomde ik over mijn vader. In die droom rijden we over de Napoleonsbaan tussen Venlo en Maaseik. Bij Kessel-Hout vertelt hij dat de bospartizanen hier op 17 september 1944 voor het eerst toesloegen. Ze overvallen een...
Duitse legerwagen, maken wapens, sigaretten en voedsel buit, en voeren tien Duitse militairen af naar hun geheime hoofdkwartier op boerderij Boekenderhof. Het is het begin van een adembenemende periode die ik door de verhalen van mijn vader kan dromen. Hij kende de omgeving goed, zijn moeder kwam er vandaan. Hij schreef er het boek De bospartizanen van Baarlo over, ik had het nog niet gelezen. Dat doe ik nu. Ik ga er zo in op dat het me zelfs in mijn slaap niet loslaat. Mijn door hem gesigneerde exemplaar draagt de datum 7 mei 1980, drie dagen voordat ik op zijn advies naar het binnenland van Brazilië vertrok, naar een met hem bevriende missionaris. In de necrologie over mijn vader in De Volkskrant noemde Peter Brusse mijn vader een man zonder autoriteitenvrees. Hij was evenmin bang voor een onorthodoxe aanpak. Zijn rebelse zoon met het goedkoopste ticket via IJsland en New York naar Brazilië sturen om er een andere kant van het leven te leren kennen was daarvan een voorbeeld. Zelf had hij de Amazone bereisd, en kende grote delen van Afrika en Azië als zijn broekzak. Als journalist van het Dagblad voor Noord-Limburg tekende hij daar de verhalen op van naar die streken uitgezonden missionarissen. In een tijd zonder internet en mobiele telefoon voer hij met een kano naar het hart van Papoea-Nieuw Guinea. Station Horst-Sevenum noemden we in mijn kindertijd Ethiopië omdat we hem daar ophaalden van zijn verre reizen. Acteurs op de laatste draaidag De partizanen. Van links naar rechts: Bert Geurkink, Erik Wijnhoven, Mark Ram, Jaap Spijkers, Huub Stapel, Marcel Wijnhoven, Rik Launspach. foto privéarchief Jan Derix (1936-2009) had vele fascinaties, maar een rode draad lijkt toch de belangstelling voor mensen die in uitzonderlijke situaties doen wat hun roeping, in welke vorm dan ook, van hen vraagt. Dat gold ook voor episodes uit de Tweede Wereldoorlog, die hij als kind meemaakte. Verzetsman en melkboer Bert Poels was bij mijn grootouders in Horst kind aan huis. Over hem en zijn belevenissen publiceerde hij in 1977 Vriend en vijand, over de netwerken die in de venen van De Peel piloten hielpen die daar, terugkomend van missies boven Duitsland, waren neergestort. De bospartizanen van Baarlo roept herinneringen op aan dat boek, dat zo’n succes was dat van de opbrengst ons ouderlijk huis kon worden verbouwd. Tegelijk staat het boek op zichzelf, zoals ook de beschreven gebeurtenissen in Baarlo en omstreken wel en niet op zichzelf staan. Laat ik uitleggen wat ik daarmee bedoel. In september 1944 vindt een knokploeg van de landelijke onderduikorganisatie vanuit het Land van Maas en Waal zijn weg naar Noord-Limburg. Ze hebben de opdracht zich voor te bereiden op de komst van de bevrijders en maken contact met de goed georganiseerde O.D. (ordedienst) van Baarlo. Eerste aandachtspunt is de Maasbrug bij Venlo, strategisch gelegen voor de geallieerden om door te kunnen stoten naar Duitsland. Maar, zoals mijn vader concludeert uit zijn interviews met een twintigtal betrokkenen, ‘de actieplannen worden bijna dagelijks herzien.’ Dat hangt samen met de chaotische situatie aan het front. Over het algemeen is de stemming optimistisch. Operatie Market Garden moet leiden tot een snelle verovering van Arnhem; tegelijk is de verwachting dat de Amerikanen via de westoever van de Maas voortvarend naar Venlo zullen oprukken. In die sfeer van relatief optimisme trekt de knokploeg onder leiding van de 27-jarige Rotterdamse sportstudent en jodenhelper Paul Weemering haar plan. Als beloofde wapendroppings uitblijven, besluiten ze alvast Duitse militairen te overvallen en gevangen te nemen, de Amerikanen worden immers binnen enkele dagen verwacht. Vanuit Londen meldt minister-president Gerbrandy van de Nederlandse regering in ballingschap dat ‘het uur der bevrijding heeft geslagen’ – achteraf gezien een kardinale vergissing. De knokploeg, intussen samenwerkend met het lokale verzet, overvalt meer Duitse militairen. Uiteindelijk gaat het om ongeveer dertig Duitsers die in een uit kippenrennen opgetrokken hol in de bossen tussen Helden en Baarlo worden vastgehouden. Liquidatie is niet toegestaan, het zou bij de intens katholieke verzetsstrijders ook niet opkomen. Anderzijds kon ontdekking leidden tot represailles. Baarlo had een tweede Putten kunnen worden, waarvan de bezetter als vergelding een groot deel van de mannelijke bevolking vermoordde. Uiteindelijk zal het tot 21 november 1944 duren voordat Baarlo wordt bevrijd. Tien weken lang zitten de verzetstrijders met hun Duitse gevangenen in bezet gebied. Twee keer wordt het kamp verplaatst, waarbij de gevangenen, met wie een goede verstandhouding is ontstaan, driftig meewerken. Men zingt zelfs samen het Wolgalied. Twee keer wordt contact gezocht met het Amerikaanse leger, waarvoor de hele groep van zestig personen urenlang door de vijandige linies moet manoeuvreren, en dan toch weer terug naar het kamp, waar de omstandigheden steeds erbarmelijker worden. Omwonende boeren en burgers helpen met voedsel en kleding, iedereen weet van de bospartizanen en hun gevangenen. Soms komen Duitse patrouilles tot op vijftig meter. ‘Es sind Partisanen am Werk’, zeggen de Duitsers in pseudo-Nederlands tegen de Baarlose bevolking – die haar schouders ophaalt. Als de rol van de Boekenderhof bekend wordt, branden de partizanen de boerderij uit 1326 tot op de grond af. Als twee SS-infiltranten zijn ontmaskerd besluiten ze met lood in de schoenen tot hun executie. Dat het kwajongensachtige ‘Hände hoch, holländische Partisanen!’ waarmee de gijzeling enkele weken eerder was begonnen tot dit dramatische einde zou leiden, had niemand voorzien. In zijn inleiding bij De bospartizanen van Baarlo stelt Jan Derix dat de compositie van het boek afhankelijk was van de personen die met hem wilden praten: ‘De geschiedenis van enkelen is hier de representatie van een collectief gebeuren.’ Menige betrokkene wilde niet geïnterviewd worden, ze hadden aan de gebeurtenissen ‘de diepste littekens’ overgehouden. Die opstelling werpt een bijzonder licht op de lotgevallen die mijn vader wél kon reconstrueren. We volgen de verhalen van Paul Weemering, Antoon Jansen, Wiel Houwen, Frans Jentjens, Jacques Segers, Leo Jans, Lou Bouten, Jacques Crasborn, de ongelofelijk courageuze koeriers Betsie Rooskens, Steffie Houba, May Schiphorst en enkele anderen op de voet. Maar we begrijpen ook dat zij een greep zijn uit velen. Het verzet, aldus Derix, was een kwestie van ‘gedeelde moed’. Baarlo en andere dorpen leverden vanuit een ‘algehele verzetsmentaliteit’ weerstand tegen de fascistische bezetter. Hij heeft er begrip voor dat velen niet met hem wilden spreken, om welke redenen dan ook. Schaamte om de liquidaties. Wantrouwen richting media die geneigd zijn enkelen tot helden te verheffen, terwijl het verzet door velen werd gedragen. Als schrijver laveert hij door een mijnenveld van emoties en de wetenschap dat veel verhalen onverteld bleven. Jan Derix schreef een reconstructie van het klungelig optreden van de bospartizanen van Baarlo Respect voor de roeping van de betrokkenen is de grondtoon. Men zou een Paul Weemering of bakker Wiel Houwen tot de helden van dit verhaal kunnen bestempelen. Maar dat doet geen recht aan de gebeurtenissen en de nood van toen. Weemering krijgt het samen met anderen voor elkaar dat de Boekenderhof na de oorlog als een van de eerste Nederlandse boerderijen in glorie wordt hersteld. Van Wiel Houwen wordt gevreesd dat hij niet van zijn deportatie naar kamp Vught zal terugkeren. Hij ontkomt op miraculeuze én trieste wijze aan de dood, belandt in concentratiekamp Sachenhausen en overleeft de beruchte dodenmars waarbij twaalfduizend mensen sterven. Als hij op 6 juni 1945 terugkeert bij zijn vriendin Annie Verlaak in Panningen zal menige lezer het niet droog houden. In het het begin van De bospartizanen van Baarlo heeft Derix het over de ‘natuur die haar eigen strategie heeft.’ Uit zijn verhaal stijgt het vermoeden op dat ook de rechtvaardigheid haar manieren heeft om zich vroeg of laat te doen gelden. Op diverse niveaus is dat de boodschap van het boek: menselijk, narratief en maatschappelijk. Hij besluit het boek met het monument dat in 1969 in Baarlo werd onthuld: ‘Niet aan dappere daden. Niet aan enkelen. Het is een geschenk van de bospartizanen aan de bevolking. Voor de hulp, de gastvrijheid, de moed die allen hebben opgebracht in september, oktober en november 1944, maar ook in de daaraan voorafgaande jaren van bezetting en verzet. Want zonder de gedeelde moed en het gedeelde leed van allen zouden zij, die dit monument lieten oprichten uit dankbaarheid, nimmer tot daden zijn gekomen.’ Tegelijkertijd waarschuwt hij voor mythevorming. Hij reconstrueert nauwkeurig hoe het verhaal van toevalligheden aan elkaar hangt – en van de durf en beslissingen van personen, al dan niet op het juiste moment op de juiste plaats. Het maakt het verhaal van de bospartizanen tot een menselijk verhaal. Niet van helden, wat dat ook mogen zijn, maar van de ‘gedeelde moed’ van burgers in een tijd die velen van onze nieuwere generaties zich maar moeilijk kunnen voorstellen. Hoe zou dat nu zijn, als de donkere scenarios van de NAVO werkelijkheid zouden worden? De collectieve moed leefde in die oorlogsjaren overal, in dat opzicht was ‘Baarlo’ niet uitzonderlijk. Maar de wijze waarop het toeval leidde tot de bizarre situatie in de Baarlose bossen, is exceptioneel. Mythevorming raakt ook aan de vraag of de knokploegen systematisch samenwerkten met het Amerikaanse militaire commando. Daarvoor zou men Het verborgen front van Fred Cammaert er nog eens op moeten naslaan. Derix lijkt de stelling toegenegen dat ook het verzet, net als de algemene burgerlijke weerstand tegen de bezetter, vele manifestaties kende en niet voor één interpretatie is te vangen. Het maakt zijn boek ook tot een sociologisch verslag. In de tv-serie De partizanen gaat een door regisseur Theu Boermans gespeelde radioverslaggever vijftig jaar na de Baarlose verzetsactie op zoek naar de ‘waarheid’. filmstill via KRO-NCRV Mijn vader was opgetogen toen hij begin jaren 90 vernam dat Jan Blokker uit De bospartizanen van Baarlo een script puurde voor een tv-serie waarin een journalist, gespeeld door Theu Boermans, op zoek gaat naar de ‘waarheid’ over de Baarlose verzetsactie. Ruim dertig jaar later leidt de tv-serie tot het ‘theaterspektakel’ Partizanen dat in het voorjaar van 2027 in première gaat. In mijn droom rijd ik weer met mijn vader over de Napoleonsbaan, op weg naar de voorstelling. Ik luister naar zijn verhalen. Niet alleen over de bospartizanen. Ook over Limburgers die voor Napoleon vochten, over de geschiedenis van de katholieke missie, over de ondefinieerbare schelm (of schurk?) de Witte van Wanssum, over de Venrayse Schaapscompagnieën die tot in Argentinië opereerden, over de Fliegerhorst Venlo en al die andere geschiedenissen die mijn vader vanachter zijn schrijfmachine opnieuw tot leven wekte. Wat hij van Partizanen als ‘spektakelmusical’ zou vinden? Hij zou blij zijn dat het verhaal wordt doorverteld. Hij zou hopen dat informatie die hij eind jaren zeventig niet boven water kreeg, alsnog is verwerkt. In De Limburger zei Theu Boermans, die voor zijn bijdrage aan de tv-serie werd benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, dat hij op zolder nog een doos heeft staan met interviews die hij afnam met voormalige partizanen. Zitten daar mensen bij die mijn vader indertijd niet sprak? Zijn journalistenhart zou er sneller van gaan kloppen. Bij het begin van de voorstelling zou hij me aankijken. Hij zou opmerken dat hij indertijd met mijn broer Egbert de filmset bezocht, en dat hij het fijn vindt dat wij hier nu samen zitten. En dan: ‘Heb je die tv-serie nu eindelijk bekeken?’ ‘Uh, nee. Ik wilde eerst dit artikel op papier zetten.’ ‘Pas je wel op voor mythevorming?’ ‘Beloofd. En ik zal het stuk afsluiten met de opmerking dat ik de theatermakers de gedeelde moed toewens om een waarachtige voorstelling op de planken te brengen.’ ‘Een monument uit dankbaarheid en een les voor de toekomst. Dat zou mooi zijn.’ Intussen bekeek ik de tv-serie De partizanen op youtube. Aangrijpend en van een kwaliteit die niet meer van deze tijd is. Een journalist op zoek laten gaan naar de diverse versies van ‘de waarheid’ is een mooie vondst. Zoals Theu Boermans die journalist speelt, herken ik mijn vader. Nieuwsgierig en neutraal, betrokken en afstandelijk, doortastend en vol mededogen. Ik heb het er indertijd nooit met hem over gehad, maar of hij zichzelf erin heeft herkend? Dat blijft, net als het ware verhaal van de partizanen, in nevelen gehuld. Jan Derix (1936-2009) publiceerde in 1980 De bospartizanen van Baarlo. Andere titels van zijn hand zijn: Omwille van hun honger (1971), De laatste kinderen van Job (1972), Vriend en vijand (1977), De armoede is mijn rijkdom (1978), De witte van Wanssum (1986, samen met Sjef Verlinden), Vliegveld Venlo (1987), Bapa Papoea (1987) en Brengers van de boodschap (postuum verschenen in 2010). Ook schreef hij de biografie van Jan de Pont, naamgever van De Pont Museum in Tilburg (interne publicatie) en andere boeken in opdracht.
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent.
Klik hier als u abonnee wil worden - voor 6,60 euro per maand ontvangt u het kunst- en cultuurmagazine voor het Zuiden. Sluit u nu aan!