Ging achter de betrekkelijke onverstoorbaarheid van de Tilburger een muiter schuil, of kwam dat gevoel van eigenwaarde niet verder dan thuis of het café? JOS PALM las Het verdriet van Tilburg en haalde zich twee intussen overleden zwagers voor de geest. Had de serviele Tilburgse traditie geen vat op hen? Elke keer als ik aan Tilburg denk – en dat doe ik met enige regelmaat, want een van mijn geliefde zussen woont er – moet ik denken aan Jan, oftewel...
‘Jantje’ zoals hij werd genoemd, en Wim. Allebei echte Tilburgers, allebei gedurende hun leven lange tijd levensgezel van mijn zus. En allebei op eigen wijze onaangepast, anarchisten zonder leerstelling en program. Ze waren van net na de oorlog en leken op gespannen voet te staan met de traditie van de laconieke en de bijna reflexmatige ogenschijnlijke gehoorzaamheid die lang een schaduw wiep over de geest van de stad, en die pas in de jaren 70 begon te verwaaien. De een was strijdbaar, onvermoeibaar propagandist van zijn eigen zaak – die op kostbare grond stond waar de gemeente graag wilde bouwen. De ander voerde een meer onzichtbaar gevecht. Het was alsof je er als Tilburger – van vóór en vlak ná de oorlog – aan gewend was dat je er niet toe deed. Voor de hoge heren bestuurders en ambtenaren niet, voor de grote werkgevers niet, voor de mannen en vrouwen van God in habijt of met priesterboordje om niet en voor Nederland niet. Tilburg roept bij mij altijd herinneringen op aan die andere stad waar, net als in de stad van de kruikenzeikers, de textielindustrie in de jaren 60 en 70 ten onder ging en waar men gewoon was te zeggen: ‘A’j uut Eanske kum, wat wilt dan’ (vrij vertaald: als je uit Enschede komt, wat heb je dan te willen van het leven). Thuiswever Frans van Geloven in 1933. foto’s Regionaal Archief Tilburg Jantje en Wim wilden misschien niet naar maatstaven van anderen, maar wel naar die van zichzelf veel van het leven. Om te beginnen mijn knappe en hippe zus, die met Jan een alternatief gezinnetje stichtte en nadien in Wim een tweede liefde vond. De wereld was er om ze hun gang te laten gaan – aan goedkeuring ervan, het smeermiddel van onze samenleving, hechtte met name Jantje niet zo, Wim was er wat gevoeliger voor. Ze wilden autonomie, zelfbeschikking, en vonden die in een eigen universum, als een tussen de mensen verdwaalde Robinson Crusoë. Het was misschien niet exact de gefortificeerde eenzaamheid die Jantje en Wim zich wensten, maar elke keer als je in hun paradijsje werd toegelaten voelde je je een beetje een pottenkijker, een toerist in hun Hof van Eden. Het kleinste boutje, schroefje of tangetje had er een onvervreemdbare plek gekregen van zijn schepper. Je durfde er niet zomaar aan te komen. Over paradijs gesproken: mensen hadden er niet altijd toegang, dieren daarentegen wel. Die hoorden erbij zoals eens de dieren in de tuin van Adam en Eva. Jantje Als het klopt dat je een product van je omgeving bent, dat je om Zlatan Ibrahimovic te parafraseren de jongen wel uit zijn milieu kunt halen maar het milieu niet uit de jongen, hoe zit het dan met de lange schaduw van die serviele Tilburgse traditie bij Jantje en Wim? Had die geen vat op hen? Of is die traditie ook deels schijn, een spel dat generaties Tilburgers hebben geleerd te spelen? Zit er in elk van hun misschien ook een muiter verborgen? De betrekkelijke onverstoorbaarheid van de Tilburger, hem toegedicht tegenover een over hem heen walsende elite, zou op een besef van eigenwaarde kunnen wijzen. Maar kwam die eigenwaarde eigenlijk wel verder dan het café, werd het meer dan thuis boven een bord aardappels mokken op de patroon? Durfde hij zijn middelvinger op te steken naar zijn meerdere of balde hij zijn vuisten in zijn zakken, als enige eigenaar en beheerder van zijn woede? Als iets het uiterlijk bepaalde van de voormalige textielstad, dan waren het fabrieksschoorstenen en kerktorens, lees ik in Het verdriet van Tilburg van Maarten van Riel, het boek dat ik raadpleeg om mijn min of meer schoonbroers te kunnen plaatsen in hun wereld. Aha, Kerk en Kapitaal, oude bekenden, vertrouwde boosdoeners, denk ik meteen. En ze spelen inderdaad een hoofdrol in dit verhaal: het drama van de grootvader van de auteur, een eenvoudige arbeider bij AaBe, een van de bekendste wolstoffabrieken in de stad. Wanneer de textielindustrie na de oorlog in een diepe crisis belandt, raakt hij de baan kwijt waar hij zo trots op was, ziet zijn vrouw van zich scheiden wanneer de roomse geestelijken iets minder heilig doen over het sacrament van het huwelijk dan voorheen, en berooft zich ten slotte van het leven. De gedachte dat hij is vermalen door hogere machten die hem als werknemer en als gelovige lieten vallen, ligt voor de hand. Toch is die relatie niet zomaar aan te tonen, al is het maar omdat suïcide zelden tot één oorzaak te herleiden is. Van Riels opa, van kinds af aan doof, werd bijvoorbeeld ook als volwassene aanhoudend gepest door collega’s. Wim De auteur probeert te laten zien wat dan wél het verband is, en komt met wat ik maar circumstantial evidence noem: indicatief bewijs voor de doorwerking op het gemoed door Kapitaal en Kerk. De generaties voor Jantje en Wim hadden afgeleerd op de werkplek anders te bestaan dan als verlengstuk van de machine, en ondergingen, zoals dat in de wetenschap heet, een proces van disciplinering. Ze werden, in gewone-mensentaal, van bovenaf afgezeikt en afgeknepen. Dat laatste is een constante in Het verdriet van Tilburg, een boek dat je op een terloops wijze laat kennismaken met het ongenadige bestaan van de arbeidersklasse. In verschillende bedrijven begluurden chefs en bazen hun arbeiders via zogenoemde spiekraampjes. Fabrieksreglementen bepaalden dat er bij ‘vloeken of het uiten van andere ongepaste taal’ en ‘het niet bij beginsignaal met het werk beginnen’ vijftig cent van het loon werd ingehouden. Boetes waren er voor ‘onbehoorlijk gedrag’ (één gulden), voor het nuttigen van etenswaar buiten de voorgeschreven uren, en voor te laat komen (dertig cent bij tussen zes en twaalf minuten te laat komen, en dan verder oplopend). Roken op het toilet kostte de overtreder een rijksdaalder. En er bestonden – alsof de heren van een Brabants industriestadje op clowneske wijze voor Big Brother speelden – zelfs boetes voor lachen en omkijken (beide twee cent). Je moest als Tilburger kleine wonderen aan jezelf verrichten om te ontsnappen aan de druk van Kerk en Kapitaal Natuurlijk droeg ook de kerk het hare bij aan de onderwerping van de arbeider; in de fabrieken werd met beeltenissen van Jezus, Maria of Jozef op elke afdeling tot vroomheid aangespoord. Op Goede Vrijdag werden de machines om drie minuten voor drie (het tijdstip van de kruisdood van Jezus) stilgezet om, voorgegaan door de directie, te bidden en te danken voor alles dat ze, hun zondigheid ten spijt, hadden. Uiteraard was er ook de gebruikelijk roomse dwang, zoals de intimiderende thuisbezoeken van de zielenherders, de ‘inlandse missies’ om de gelovige voor afvalligheid te behoeden en de periodieke boetepreken (die effectief waren omdat het geloof juist ook troost en toevlucht bood). Je moest, kortom, als Tilburger kleine wonderen aan jezelf verrichten om te ontsnappen aan de druk van kerk en kapitaal. Kerken zijn er nog genoeg in de stad, fabrieksschoorstenen staan er nog twee, als Rijksmonument. Het Tilburg van nu wordt geteisterd door onooglijke betonnen jaren 60 architectuur die de industriële en religieuze leegte moet opvullen; het flatcomplex De Katterug werd in 2019 zelfs tot lelijkste gebouw van Brabant verkozen. Wie er, zoals ik, op stille zondagochtenden rondloopt, voelt vanzelf mededogen, want wat een prijskaartje heeft de stad betaald voor haar ontvoogding. De Tilburgers zelf noemen hun woonplaats ‘de schôônste stad van het laand’, naar een zinnetje uit het stedelijke volkslied uit 1938, en verheffen zo de treurigheid tot volkswijsheid. Alsof de werkelijkheid een schlager is. En ook dat is een teken dat ze wat hen overkomt niet zomaar pikken, maar er desnoods met terugwerkende kracht wraak op nemen. Hetzelfde kan worden gezegd van de gewoonte om in de jaren 70 in groepjes de achtergelaten bruikbare materialen en voorwerpen in de vele leegstaande fabriekspanden te gaan ‘vinden’, zoals de Tilburgse mannen, onder wie Jantje, het omschreven. Cursis droogzwemmen voor arbeiders in 1936. Het is op die stille zondagochtenden dat mijn gedachten uitgaan naar Jantje en Wim. Zonen van fabrieksarbeiders, niet in de textiel, maar in sigaren en andere artikelen; een van hen zou zich opwerken tot tuinman bij de nonnen. Jantje was opgegroeid in een krappe arbeiderswoning aan de Meelstraat, Wim in een eenvoudig huisje in een betere buurt. Beiden waren gelovig en oppassend grootgebracht in een groot gezin, vooral door hun vereerde moeder, en beiden waren maar heel kort werkzaam voor een baas. Wim begon al op z’n twintigste voor zichzelf, als smid, Jantje hield het na één jaartje gezien op de fabriek, waar hij naar verluidt uren achtereen in de kelder lag te slapen. Ze waren toegewijd aan wat ze deden. Jantje als timmerman, die als vader allerhande speelgoed maakte voor zijn kinderen, van poppenhuizen tot mini-draaimolens. Wim als vakman, die liturgische kandelaars, altaarstukken en trappen ontwierp en smeedde. Wat uit zijn handen kwam, moest perfect zijn. Dat was hij verplicht aan het materiaal. De hoofdpersoon in Het verdriet van Tilburg had een bescheiden schuurtje waar hij zich op zondag, de enige dag dat hij vrij had van de fabriek, kon terugtrekken. Meer autonome ruimte was zijn generatie kennelijk niet gegund. Mijn min of meer schoonbroers hadden hun eigen paleis geschapen, waar ze hun eigen vorst waren. Jantjes huis, waar alleen hij de weg kon vinden, stond vol met zijn verzamelde rijkdom van de straat. Eenmaal ouder was zijn scootmobiel zijn koets, maar zijn echte paleis was zijn woonwagen. Daarmee trok hij zomers, in zijn jongere jaren, met mijn zus en kinderen de wijde wereld in, om er tussen Turnhout en Antwerpen achter te komen dat de smaak van vrijheid niet zozeer zat in de afgelegde afstand, maar in het voortbewegen zelf. Zijn andere vrijheidsvoertuig was een gemotoriseerde bakfiets, ook daarmee trok het gezinnetje erop uit. Merels, mussen en koolmeesjes aten uit zijn hand, alsof hij een Franciscus was Wims domicilie was zijn enorme werkplaats bij de Piushaven. De laatste tien jaar van zijn leven woonde hij er tussen zijn machines en zijn duiven. Dat je meer van de gevederde vrienden kon verwachten dan van mensen had hij ontdekt bij mijn zus in de tuin. Dagelijks zat hij er bij het krieken van de dag met bakjes wormen en voer tussen zijn merels, mussen en koolmeesjes, die uit zijn hand aten, alsof hij een Franciscus was. De duiven kwamen in honderdtallen naar zijn werkplaats. Hij kon ze allemaal uit elkaar houden, gaf ze nog net geen namen, maar wist welke duif met welke duif ging. Hij smeedde zelfs beschermhokken voor zijn duiven, tegen stadsroofvogels. Soms kreeg hij ‘handhavers’ aan de deur omdat het uit de hand liep met ‘die beesten’, ze werden afgepoeierd. In zijn jonge jaren hield Jantje Shetland-pony’s, voor zijn paardenkarretje. Later had hij honden, waarmee hij vocht en stoeide, het waren beesten waar alleen hij bij in de buurt kon komen, en een aap die kunstjes kon, zijn eigen Joli-Coeur. Nopsters en stopsters bij Gebroeders Diepen in 1905. Ze waren niet alleen op de wereld, die schoonbroers van me, ze waren er wel een beetje tegen. Vrijheid was een eigen paleis, al dan niet op wielen, alsof ze van hun ouders en grootouders, die als onderdanen van hun baas eindeloos hadden gesloofd, hadden geleerd hoe het niet moest. Elke minuut wilden ze bezitten en besteden, aan hun plannen of dromen, aan wat ze maakten en aan hun vertrouwelingen, dieren vooral, en ook wel wat mensen. Zo stonden ze ook op de foto op het gedachtenisprentje bij hun dood, als mannen die de baas waren van zichzelf, niemands knecht. Wim in zijn werkplaats met zijn gereedschap tussen zijn machines. Jantje met een knapzak aan een stok, over zijn rug. Ongrijpbaar. Met dank aan Margriet Palm, mijn zus, Tilburgse van boven de rivieren. Maarten van Riel, Het verdriet van Tilburg. Amsterdam, Thomas Rap, 2025
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!