In een onverwarmd oud schoolgebouw in Eindhoven bouwt Wessel Verrijt als een Don Quichot aan een leger dat optrekt tegen de eentonigheid. Hoogste tijd voor een processie van de kartonnen bezemhelmridders.

De vloer is bedekt met voorwerpen en materialen. Een metalen bakblik in de vorm van een beer, de verfrommelde afvoerslang van een wasdroger, een vaal rolgordijn, een rieten mand zonder bodem en ga zo maar door. Tussen tientallen gele elektriciteitsbuizen priemen de roestige tanden van een stuk tuingereedschap. Je zou het rommel kunnen noemen, of humus: een voedingsbodem waarin het juiste microklimaat heerst om nieuwe ideeΓ«n op te doen voor de films, installaties en performances van Wessel Verrijt.

Aan de muur hangen schetsen en filmstills van bezemhelmridders, krakkemikkige robots met tuinharken en armen als martelwerktuigen uit karton. Ondertussen is Wessel er nog niet helemaal over uit of dit wel zijn atelier is: β€˜Ik zit me af te vragen wat deze plek voor me betekent. Deze chaos vind ik heel prettig, maar ik werk hier liever niet. Het is vooral een vergaarbak.’

Waar gebruik je deze ruimte dan voor?

β€˜Ik ben hier als ik niet ergens anders ben’

Dus het is niet je atelier?

β€˜Een atelier zie ik niet als een ruimte in een gebouw, maar eerder als een gebied waar ik tijdelijk gevestigd ben. Ik werk veel in residenties. Je kan op die plekken meestal je werk meteen presenteren, die directheid maakt het veel intenser. Om hier iets te maken en het daarna ergens anders naartoe te brengen, zie ik niet zo zitten.’

Β Zijn huidige β€˜ateliergebied’ is in Den Bosch. Op uitnodiging van Theater Artemis maakt Wessel Verrijt (Eindhoven, 1992) daar veertien kostuums voor een ritueel om de winter te verwelkomen. Helaas gaat de uitvoering voorlopig niet door. Nu wil hij de kostuums alvast gebruiken in een film en volgt volgend jaar een processie door Den Bosch.

Een processie is een nogal ongebruikelijke vorm voor een kunstwerk.

β€˜Zo’n zwijgende stoet die plotseling aan je voorbij trekt is veel verrassender dan wanneer ik het als performance voor publiek zou organiseren, het gebeurt dus zonder aankondiging vooraf. Bijna alles wat gebeurt in onze leefomgeving is op een of andere manier logisch te verklaren, maar de dingen die niet te verklaren zijn, die blijven je bij. Dus wat is er allemaal mogelijk als je onverklaarbare elementen gaat toevoegen aan de dagelijkse orde? De hele publieke ruimte is eigenlijk een decor waarmee je kan spelen via interventies. De processie is daar een goed voorbeeld van.’

Haal je al die spullen ook uit de publieke ruimte?

β€˜Vaak wel, ik vind ze op straat, maar ik duik ook de kelder in wanneer ik op een nieuwe plek ben. Komende zomer ga ik aan de slag in Bulgarije. dan wil ik bij de boeren in de omgeving langs gaan op zoek naar materiaal.’

Met de vraag β€˜Hebt u nog iets dat u eigenlijk niet nodig hebt?’

β€˜Precies. Gebruikte dingen hebben al een vorm en logica uit hun vorige functie. Als je een plank uit een oude kast vindt, dan heeft die een vorm die jezelf niet had kunnen verzinnen. Het geeft karakter aan het werk.’

De soms metershoge kostuums die Wessel bouwt met dit tweedehands materiaal worden bij elkaar gehouden met touw en plakband, je vreest dat ze bij de eerste windvlaag uit elkaar vallen. Het maakt de personages die in de processies en films voorbij trekken onbeholpen en sacraal tegelijk. De filmstills die hij me toont zouden opnames kunnen zijn van een obscuur ritueel, maar ook een verloren gewaande scene uit Monty Python.

β€˜Dan wil ik een grote mensfiguur maken, die net geen mens meer is. Ik begin meestal gewoon te bouwen, het materiaal wijst de weg. Als het te menselijk wordt, dan pas ik het weer aan. Tegelijkertijd hebben de figuren vaak ook iets dreigends, als een soort oorlogsvoertuigen die gevaarlijk ogen, maar het niet zijn. Als een paard van Troje dat bij de eerste hobbel in de weg in elkaar zakt.’

Je weet dus van tevoren nog niet wat voor karakter het wordt?

β€˜Nee, ze moeten een raadsel blijven, dus ik geef ze geen naam of titel. Je moet kunnen aanvoelen wat het is, maar er net niet de vinger op kunnen leggen. Zie het als een puzzel: een makkelijke sudoku is saai en een hele moeilijke is vooral frustrerend. Het uitdagendst is de sudoku die je net niet kan oplossen.’

Waarom maak je die raadsels eigenlijk?

β€˜Dat is een rottige vraag. Het is een drang, een uitlaatklep voor de fantasie. Ik probeer zoveel mogelijk mijn obsessies en fascinaties te volgen: De obsessie voor spullen en mijn fascinatie voor rijvoertuigen, onlogische houtje-touwtje constructies en mysterieuze rituelen. Ik moet ook altijd spullen verzamelen, veel spullen, uit een behoefte aan veelvoud. Als kind wilde ik altijd acht snoepjes, nooit één.’

Raakt deze vergaarbak dan niet erg snel vol, als je overal acht van wil hebben?

β€˜Het liefst zou ik al mijn werk op dezelfde plek bij me willen hebben, tegelijk is het een soort organisme dat steeds van vorm verandert. Ik hergebruik onderdelen graag, de arm van de ene figuur is het hoofd van de volgende. En als een onderdeel is afgeleefd dan gooi ik het uiteindelijk toch wel weg. Het meeste materiaal hier is niet ouder dan een jaar, dus het wisselt toch best wel snel.’

Een soort zelfreinigend ecosysteem dus?

β€˜Een ecosysteem, dat is het precies.’

Op de terugweg in de trein gaat in de stoel achter me de telefoon. β€˜En wat doe jij vanavond? Nee ik ook niet, weer niks. Het is niet te doen man, er gebeurt nooit meer iets!’ Er volgt een diepe zucht. Inderdaad, hoogste tijd voor een processie van de kartonnen bezemhelmridders. We zijn er aan toe.

JOEP VOSSEBELD

Dit is het tiende deel in een reeks over kunstenaars en ontwerpers in hun werkomgeving.