Goede ontwerpers en architecten nemen kinderen serieus. YVONNE COX wist het al, ze ziet het bevestigd in de ontwerpen van gevestigde namen als Arne Jacobsen, Alvar en Aino Aalto, Jean Prouvé en Jules Wabbes. Maar wie zijn eigenlijk de ontwerpers van de kindermeubels van nu? Opnieuw kinderkamers inrichten. Timmeren en schuren, dingen in elkaar zetten. En de helft van wat me vandaag onder ogen is gekomen, onder de arm pakken en wegrennen. Dat is wat ik heb overgehouden aan de...
tentoonstelling Designing Childhood in Brussel. Kindermeubels zijn het leukste wat er is. Denk aan grote stoffen neushoorns, aan wiebelkrukken, aan stapeltafeltjes, aan schoolbureautjes, aan hangwiegjes, aan blokken waar je in en op kunt klimmen. Het Design Museum in Brussel, waar de tentoonstelling te zien is, is een buitenbeentje. Het ligt onder de bollenschaduw van het Atomium en doet bij binnenkomst meer denken aan een openbaar binnenbad dan aan een tempel van design. Maar wat hier gebeurt, werkt. Niets is moeilijk, alles is inspirerend. Niets is blasé, alles is speels. Sylvie Feron en René Baucher, interieurontwerp kinderopvang © Design Museum Brussel Vooropgesteld, ik ben dol op design. Op spullen en meubels, maar vooral op de verhalen erachter. Op dat ene meubelstuk dat ineens overal opduikt: in huizen, scholen, wachtruimtes. En dat mensen dan generaties lang blijven gebruiken. Maar wat maakt een ontwerp nu echt goed? Wat maakt een kinderkamer, een kinderbed, een schoolstoel blijvend? Ik moest denken aan het historische Oxford. In de zomer van 2015 mochten onze dochters twee weken in St. Catherine’s College verblijven, een modernistisch gebouw van de Deense architect Arne Jacobsen. Tussen al dat barokke en gotische geweld in de binnenstad stond het daar te blinken van eenvoud. Niet alleen het gebouw was van zijn hand, ook het meubilair, de verlichting, de tuinen. Alles hoorde bij elkaar. Wat me toen trof, zie ik hier in Designing Childhood terug: goede ontwerpers en architecten nemen kinderen serieus. Voordat Jacobsen dat college in 1964 ontwierp, maakte hij in 1955 een bureau en een stoel binnen een totaalconcept voor een school net buiten Kopenhagen. Licht, functioneel, gemaakt uit één stuk multiplex. Ook het Finse ontwerpersduo Alvar en Aino Aalto dacht zo. Hun kinderstoel en bijzettafel konden simpelweg worden omgedraaid en veranderden dan van functie. Niet de ontwerper bepaalt hoe het meubel wordt gebruikt, maar het kind. Het is bij uitstek de kwaliteit van goed kinderdesign: ruimte laten voor verbeelding. Jean Prouvé ontwierp in 1935 een tweepersoons lessenaar voor een school in Metz. Na de oorlog werd het meubel aangepast, er moest meer afstand komen tussen de kinderen. De bank werd uit elkaar gehaald, stoelen en tafels werden afzonderlijke objecten. Lucien Engels, kinderstoel en bureau Type A (1957). foto Andy Simon Designing Childhood staat vol met zulke voorbeelden, ook de oude foto’s in de tentoonstelling zijn een feest. Kinderen die met hun billen diep achterover hangen in hun stoeltje, met hun voeten bungelend boven de vloer. Je voelt weer hoe het was om klein te zijn. Hoe je in een laatje je geheimen kon verstoppen. Hoe een stoel tegelijk een klimrek en een schuilplaats kon zijn. Veel van de getoonde ontwerpen zijn afkomstig van gevestigde namen in de architectuur; ze ontwierpen zonder aarzelen ook meubels voor kinderen. Zoals de Belgische ontwerper Jules Wabbes, die in 1960 een complete klasruimte ontwierp voor de Triënnale in Milaan. Stapelbaar meubilair, afgeronde vormen, stevig hout. Tien jaar later nam hij een houtbuigbedrijf over en begon hij meubels te maken voor tieners en studenten. De overgang van klein naar groot verliep geruisloos. Dat soort continuïteit zie je vandaag de dag minder. Op de grote designbeurzen in Milaan of Kopenhagen is school- en kindermeubilair nog nauwelijks te vinden. Grote merken richten zich op consumentenmeubels die in grote oplages vermarkt en verkocht kunnen worden. Het is efficiënter, winstgevender – maar zeker ook anoniemer. Wie kent nog de naam van de ontwerpers? Iedereen herkent het Mammut-krukje van IKEA; geen mens weet wie het heeft ontworpen. Het product maakt naam, de maker verdwijnt naar de achtergrond. Denk ook aan de beroemde Tripp Trapp stoel van de Noorse ontwerper Peter Opsvik. Ontworpen in 1972, er zijn er intussen meer dan zestien miljoen van verkocht. Goed om te weten dat er bij de introductie welgeteld twee werden afgenomen, door een winkel met ambachtelijke producten. Een goed ontwerp heeft soms tijd nodig om begrepen te worden. De magere oogst aan goed kinderdesign van nu heeft vast ook te maken met hoe we tegenwoordig wonen. Huizen gelden eerder als investeringsobject dan als levenslange thuisbasis. We verhuizen sneller, huren vaker, richten tijdelijk in; meubels dienen verplaatsbaar en betaalbaar te zijn. En gemakkelijk bij het grof vuil te zetten. Het betekent ook dat we minder letten op duurzaamheid en schoonheid. Veel kinderkamers bestaan uit een verzameling losse meubels, snel gekocht en net zo snel weer vervangen. Een bed, een kast, een lichtgevende sticker op muur of plafond, later een bureau; alles functioneel, zelden bijzonder. Jules Wabbes, kindermeubilair (1963). foto Lionel Van Nuffel – Lio Photography Wat een contrast met de opkomst van de kinderkamer in de 19de en 20ste eeuw toen het kind – eindelijk – werd gezien als een individu met eigen noden en verlangens. In Designing Childhood hangen gedetailleerde schetsen van complete kinderkamers uit de jaren twintig, ontworpen door Sylvie Feron en René Baucher. Elke ruimte is doordacht, en getekend vanuit het perspectief van het kind. Hoe ziet een kamer eruit als je in je bedje ligt? Waar kan je als peuter lekker spelen? Hoe valt het licht? Het resultaat is verbluffend en vooral: rustig. Alles past bij elkaar: het meubilair, het behang, de gordijnen. Het lijkt bijna koninklijk, maar vooral zorgzaam. Je voelt dat er tijd en aandacht in zijn gestoken. Trouwens, het speelse van hun ontwerpen draaide later ook nog eens uit op stapeltorens die op hun beurt weer kaartspellen (denk ook aan de kaartendozen van Charles en Ray Eames) en blokkendozen opleverden. Maar er is altijd hoop. Wat mooi ontworpen is, blijft mooi. Wat goed gemaakt is, blijft goed. Het is misschien wel de kern van deze tentoonstelling. Niet dat vroeger alles beter was, maar zorgvuldig ontwerp en goed materiaal hebben nu eenmaal een lange levensduur. Zoals de Hindeloopen kinderstoel uit mijn familie, een houten exemplaar met een brede voetenplank. Al mijn kinderen hebben erin gezeten, als kleine vorsten aan tafel. Lekker knoeien op het blad, wild wiebelen, er zelfs rechtop in staan. Hij was stevig, eenvoudig, onverwoestbaar. Geen designklassieker, wel een meubel dat generaties verbond. Als gezegd, in Designing Childhood staan minstens tien ontwerpen die ik dolgraag had willen hebben. Uit bewondering, maar ook omdat ze laten zien wat design kan zijn: praktisch, elegant, speels en duurzaam tegelijk. Wat in Brussel ook duidelijk wordt is dat de geschiedenis van kindermeubilair nog lang niet geschreven is. Achter elk goed ontwerp schuilt een idee over hoe we naar kinderen kijken. Hoe serieus we hen nemen. Hoeveel ruimte we hen geven om te groeien, te spelen en zichzelf te worden. Misschien is dat de tijdloze waarde van de hier getoonde ontwerpen: niet de vorm, niet het materiaal, maar de zorg die erin zit. De aandacht voor het kleine leven dat ermee begint. Wanneer je het museum uitloopt, onder het Atomium, weet je meteen weer waarom stilzitten soms zo belangrijk is. Als kind, maar ook wanneer je ‘groot’ bent. Even rustig rondkijken. En ervaren hoe belangrijk een stoel en een kamer kunnen zijn. Designing Childhood. Een geschiedenis van design voor kinderen. Tot 20.09 in Design Museum Brussel.
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent of
klik hier als u het wil worden.
Zout bestaat dankzij lezers zoals u. In 2025 zoeken wij 1200 abonnees. Sluit u nu aan!