Is de eigenheid van Nederland voorgoed gekaapt door extreemrechts? Of bestaat er nog een Nederland dat het eigene met het goede weet te combineren. JOS PALM denkt ‘dat het goede, fundamentele en niet bange gevoel voor het eigene nog steeds bestaat, ook al wordt het misschien te zeldzaam.’ Het moet ergens in de vroege jaren zestig zijn geweest dat ik voor het eerst kennismaakte met het feit dat ik kennelijk bij een land hoorde dat vele malen groter was dan...
het veldje van Café Brinks waar ik speelde, en dat er in de verbeelding een werkelijkheid bestond die geografische emotie opwekte ver voorbij de eigen straat. Er was, zo ging ik vermoeden, een eenheid, een gebied, woorden had ik er nog niet voor, die vele malen groter was dan Zeddam – waarbij ik me niets voor kon stellen. Ik was een jaar of zeven en koesterde mij, net als mijn dorpsgenoten, in het geluk deel te zijn van onze eigen kleine natie, die vorm kreeg op het voetbalveld, bij bakker Winters, Zeegers of Delleman, bij de Spar om de hoek, bij het vendelzwaaien, bij de optochten van harmonie Kunst na Arbeid, bij de kooruitvoeringen in het parochiehuis, en uiteraard voor de volwassen mannen en een enkele vrouw bij de vele kroegen die de gemeenschap rijk was. Meisje met versierde fiets bij de Koninginnedag 1957. foto Ary Groeneveld / Stadsarchief Gemeente Rotterdam De wereld was vertrouwd en de dagen waren als altijd, behalve op koninginnedag. Er was op die dag met spelletjes als koekhappen, bliklopen en ballen-gooien iets dat de gewoonheid van alledag oversteeg. Het begon er al mee dat om zes uur ’s ochtends op een koperen trompet de eerste klanken van het volkslied werden geblazen, opdat iedereen wist dat het vandaag anders was dan anders. De straten waren versierd met vaandels en vlaggetjes in de kleur van het koningshuis. En ook aan de uitdossingen van dorpsgenoten was te zien dat het een bijzondere dag was. De meisjes droegen – behalve mijn zusjes, mijn vader gaf niet veel om het koningshuis – oranjestrikjes in het haar. Enkele volwassenen, mannen op leeftijd, hadden een soort speldje opgeprikt of een medaille omgehangen, een ereteken dat ze ooit hadden ontvangen voor betoonde heldenmoed voor het vaderland. Dat dat zo heette, wist ik toen uiteraard niet, wel zag ik ze ernstig kijken terwijl ze langs de kant stonden met de naderende 4 mei in hun gedachten waarop ze zoals elk jaar gevallen verzetsvrienden zouden herdenken. En dan was er nog ome Anton Helmes, dorpsnotabel hoofd van de meisjesschool, en één van die mannen. Ome Anton, wij mochten hem zo noemen vanwege bevoorrechte betrekkingen, was in stemmigheid niet te overtreffen. Dat bleek vooral wanneer hij voor de krakende en piepende microfoon met bevende toon, en niet al te toonvast, het Wilhelmus voorzong, een handeling die hij elk jaar met dezelfde bewogenheid herhaalde, alsof ze hem telkens weer terugbracht naar die momenten waarop hij zijn leven in de waagschaal stelde ter wille van God, Oranje en het vaderland, en niet te vergeten zijn buren, en de ome Anton-zeggers die er ook toen al moeten zijn geweest. De tweede keer dat ik me realiseerde dat er zoiets bestond als een gevoel van zowel plaatsgebonden als plaats-overstijgende eigenheid dat zin en betekenis gaf aan het bestaan, was een paar jaar later. Ik zag op het witte doek een vader met zonen in korte Tiroler-achtige leren broeken met bretels en meisjes in bloemige dirndl-rokken vluchten voor hun landgenoten die dezelfde kleren droegen omdat ze op een andere wijze van hetzelfde vaderland hielden. Ze wilden ontsnappen aan het agressieve anti-humane nationalisme dat hun volksgenoten zich zouden laten opleggen door de bende van Hitler die elk moment hun land kon binnenvallen. Want hun vaderland was zoveel meer dan een vlag, een volkslied en een vuist tegenover hetgeen anders en vreemd was. Hun vaderland waren groene alpenweiden en Apfelstrudel en Sachertorte, was Grüss Gott en zachtmoedig en sprankelend Duits. Het stond, ondanks de vaderlijke voorkeur voor een bepaalde mate van Ordnung, voor een zekere gemoedelijkheid. Het kwam samen in dat ene lied dat de familie Von Trapp begeleidde terwijl ze over de Oostenrijkse bergen naar Zwitserland klom: Edelweiss. Het vaderland als ideologie is tegenwoordig meer een partijzaak dan een staatszaak Twee herinneringen, twee ervaringen: Koninginnedag in mijn geboortedorp en de speelfim-musical The Sound of Music uit 1965, waarin ongegeneerd het eigene wordt geïdealiseerd als een morele kwaliteit om zo als het ware het bloed- en bodem-autochtone denken uit te vlakken met ‘eigen’ wapenen: niet de gestrekte arm van de tot de nazi’s bekeerde Rolf, het vriendje van dochter Liesl Von Trapp, maar de glimlach van de uitgetreden non Maria oftewel Julie Andrews stond voor de waarachtige liefde voor een vaderland. Ik moest eraan denken terwijl ik rondliep op de tentoonstelling Vorm en vaderland in het Design Museum in Den Bosch. En hoewel er op die expositie ook aandacht is voor de meer alledaagse beleving van het eigene, met haringhappen, Noorse truien en shoarma eten in klederdracht, ligt de nadruk er vooral op de rol van de propaganda van de staat. We zien hoe de overheid de burgers een natiebesef probeert bij te brengen met vlagvertoon, volkslied en monumenten, en in binnen- en buitenland op eigentijdse wijze met leuzen probeert te veroveren voor ‘het product’ Nederland, Engeland of Duitsland. Zo wordt er een affiche getoond van een in Duitse vlag gedrapeerde half blote blonde vrouw, die adviseert je instinct te volgen en ‘in Germany’ te investeren, en een hippe foto met een vergelijkbare Engelse aanmoediging, waaronder staat: ‘Follow the Flag’. Het vaderland als ideologie, tegenwoordig meer een partijzaak dan een staatszaak, voert er de boventoon. En dat is in onze tijd van gepropageerd fundamentalistisch nationaal sentiment alleszins begrijpelijk. Maar ik zou graag weg willen bij die harde, prikkelbare liefde voor het eigene die niet huist in de alledaagse werkelijkheid, maar in een overspannen en aangedikte angst voor het verlies van het betrouwbare bestaan. Ze is welbeschouwd cosmetisch en komt van buiten, van partijen en clubs en zelfbenoemde zaakwaarnemers die tot vermoeiends toe vaak genoemd worden en ik heb geen zin om hun namen hier voor de zoveelste keer te herhalen. De geïnstrumentaliseerde en gepolitiseerde liefde die zij voorstaan voert alleen maar verder af van een betrokkenheid bij zoiets als een vaderland die van binnenuit komt en wortelt in wat je zelf als ingezetene hebt meegemaakt, voelt en herinnert. Ik zou graag terug willen naar het vaderland van Koninginnedag en The Sound of Music, naar het eigene van het rustige hart Ik zou graag terug willen naar het vaderland van Koninginnedag en The Sound of Music, naar het eigene van het rustige hart — dat door types als ome Anton wanneer het daadwerkelijk wordt aangevallen werd verdedigd – en ver willen blijven van het eigene van het gepanikeerde en overstuur gemaakte hart. En daarvoor wil ik bij wijze van spreken een getuige oproepen die veel over goede en kwade vaderlandslievendheid heeft nagedacht: George Orwell. De auteur die na de oorlog beroemd zou worden met Animal Farm en Nineteen Eighty-Four publiceerde in 1941 het essay The Lion and the Unicorn (onlangs in vertaling uitgebracht onder de titel De leeuw en de eenhoorn). Toewijding en loyaliteit aan een bepaalde plek en levenswijze, meende hij, zou een natuurlijk en effectief bindmiddel blijken tegen het gevaar van het fascisme. Hij noemde dat patriottisme, dat net als het socialisme een voorwaarde was om de oorlog met nazi-Duitsland te winnen – dat laatste bleek een vergissing van de libertair-links denkende schrijver, zijn constatering dat de wil tot verdedigen afhing van de mate van lokale toegenegenheid en betrokkenheid, klopte wel. Orwell maakte een scherp onderscheid tussen nationalisme en patriottisme. Nationalisme was een soort valse vaderlandsliefde en onlosmakelijk verbonden met machtswellust en superioriteitsdenken. Het leidde bijna als vanzelf tot kleingeestigheid en racisme, tot geweld en getier. Patriottisme daarentegen werd niet gekenmerkt door de behoefte de eigen levenswijze aan anderen op te leggen; het maakte het beste in de mens los. Het is de vraag of de absolute grens tussen beide altijd en overal bestaat. Over de wenselijkheid van de meeste kwaliteiten die Orwell de beleefde en geleefde vaderlandsliefde toedichtte, die niet het resultaat was van propaganda, maar van eigen ervaring, valt niet te twisten. Engelsen waren niet overdreven intellectueel, schijnheilig en zachtaardig. Individuele vrijheid ging hen boven alles en ze zouden wars zijn van militarisme, regels en dogma’s. Ze hadden een emotionele binding met hun cultuur die samenhing met ‘het stevige ontbijt en de druilerige zondag, stadjes onder fabrieksrook en weggetjes vol kronkels, groene velden en rode brievenbussen’. Het patriottisme werd door de Engelsman volgens Orwell niet luidruchtig beleden, het sluimerde en kroop veeleer onder de oppervlakte. Het vormde een ‘onzichtbare ketting’ die mensen met elkaar verbond, en was als het moest oproepbaar, zoals de Tweede Wereldoorlog zou leren. Orwell bedacht voor de door hem gesignaleerde eigenschappen, karaktertrekken en gehechtheid aan het plaatselijke eigene een term: ‘Engelsheid’. Nederlandsheid is een manier van denken en voelen die niets moet hebben van extremisme en overdrijven, die bescheidenheid en eenvoud weet te waarderen, en gewoon doen en nuchter oordelen boven scherpslijperij stelt Of Orwells analyse helemaal klopt valt te betwijfelen. Zo is er wel wat af te dingen op zijn bewering dat patriottisme en politieke bekeringsdrift elkaar uitsluiten. De Franse Revolutie, die model stond voor het patriottistische gedachtengoed, maakte ten slotte van haar opstand en verlicht mensbeeld een Europees exportproduct. Maar zijn omschrijving van de Engelse aard lijkt hout te snijden. Het mag dan enigszins een idealisering zijn, het is op z’n minst een uitdagende en vruchtbare idealisering. En de vraag is gerechtvaardigd of er een variant op Orwells Engelsheid mogelijk is, of er ook niet zoiets als een Nederlandsheid bestaat, of heeft bestaan. Een manier van denken en voelen die niets moet hebben van extremisme en overdrijven, die bescheidenheid en eenvoud weet te waarderen, en gewoon doen en nuchter oordelen boven scherpslijperij stelt. Een gevoel ook dat zich verbonden weet met akkers, weilanden en koeien, met – jawel – molens en klompen, met snert en zopie, ijs en schaatsen (ook al zijn er nauwelijks nog winters met natuurijs), met boerenkool en stroopwafels. Die Nederlandsheid ,of misschien moet ik schrijven die dorpsheid, was er in elk geval in Zeddam. Ook al waren er in ons deel van de Achterhoek weinig sloten of plassen zodat er nauwelijks werd geschaatst, als de Friese Atje Keulen-Deelstra haar mirakels verrichtte op de lange baan zat heel het dorp voor de televisie, trots op ons eigen schaatswonder. Iedere plattelandse huisvrouw herkende zich in Atje, Nederlandser kreeg je het niet. De Duitse overheid lanceerde tijdens het WK in 2006 de campagne Invest in Germany met supermodel Claudia Schiffer Maar belangrijker om in aanmerking te komen voor de norm van Orwell waren andere momenten. Die keer dat een vriend van mijn vader riep, nadat hij had gehoord dat er mogelijk vluchtelingen zouden worden gehuisvest in de oude pastorie, dat hij ‘die zwartjoekels hier niet wilde hebben’, en door mijn vader en andere vrienden voorzichtig werd gecorrigeerd, terwijl mijn moeder hardop vroeg hoe hij zoiets durfde te zeggen. Of die keer dat de eerste buitenlandse gastarbeiders in het dorp, Spanjaarden begin jaren 60, door een groepje huisvrouwen werd onthaald met een pannetje soep. Zo deden we dat in Nederland en dus ook in Zeddam, wilden ze maar zeggen. Ik geloof dat het goede, fundamentele en niet bange-gevoel voor het eigene, nog steeds bestaat, ook al wordt het misschien wat te zeldzaam. Het moet alleen onder een dikke, door politici en media bijeengeveegde laag stof vandaan worden gehaald. Ook door de mensen zelf trouwens, in mijn geboortedorp stemde onlangs een op de drie ingezetenen op de partijen die ik niet bij naam wil noemen. Iedere keer als na dagen beelden van rellen rond een azc eindelijk op het journaal iemand in beeld komt die gewoon over vluchtelingen zegt ‘die mensen moeten ook leven’, roep ik met Orwell, ‘leve onze Nederlandsheid’. Vorm en vaderland. T/m 20.09 in Design Museum Den Bosch. designmuseum.nl
Dit artikel is alleen toegankelijk voor Zout-abonnees.
Log in als u al abonnee bent.
Klik hier als u abonnee wil worden - voor 6,60 euro per maand ontvangt u het kunst- en cultuurmagazine voor het Zuiden. Sluit u nu aan!